Article

Architectuur van de dood

BAVO


09/2018, De Architect

Image: Heleen Verheyden (BAVO)

Op een dag spreekt Siham Lakhal me aan over haar onderzoek naar het ontwerp van de dood. Als moslima zoekt Siham naar een integratie van gebruiken en rituelen die eigen zijn aan haar cultuur. Het gemoedelijk gesprek confronteert me dat ik eigenlijk niet weet waar en hoe mijn islamitische landgenoten begraven worden. Dat is een hele prestatie, want de buurt waar ik woon is overwegend Turks gekleurd.

Ik troost me met de gedachte dat ik wel iets weet over de omgang met de doden in klein Vlaanderen. Gun me te zwijgen over persoonlijke ervaringen met de dood. Ik bedoel vooral de manier waarop wij, architecten in Vlaanderen, met genereuze steun vanuit Nederland, op een andere manier kijken naar de dood.

Mijn eerste kennismaking met de nieuwe architectuur van de dood in Vlaanderen was het Crematorium Heimolen in Sint-Niklaas, naar ontwerp van Claus en Kaan Architecten. We waren op stap met de commissie van het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 2008. De statige overgang van buiten naar binnen, de immens hoge deuren en de enorme proporties van de zalen sloeg alle commissieleden met verstomming. Klapstuk was het kunstwerk van Pieter Vermeersch, getiteld ‘Untitled’, in de vorm van een kleurgradiënt van tinten die onzichtbaar in elkaar overgaan en dakkoepels met verschillende tinten kunstlicht.

Zorg voor dood en aandacht voor architectuur leken naadloos in elkaar op te gaan, zelfs in het ontwerp van de verbrandingsoven een eindje verderop. In de bijzondere gevel valt abstractie samen met ornament. Het is een les in architectuur. Het programma mag moeilijk, discutabel en ronduit lelijk zijn, een architect maakt er iets gevoelig, genereus en schoons van. Elke opdracht is een opportuniteit om architecturale kwaliteit te realiseren. Een geliefde hebben we er niet ten grave gedragen, maar we werden helemaal overtuigd door de toelichting van de directeur van de intergemeentelijke instelling Westlede.

Geen expliciete verwijzing

In het schrijven aan het boek ‘Open Oproep: Handleiding voor de publieke bouwheer’ (2013) vouwde het perspectief zich open. De inzet van de Vlaams Bouwmeester was om niet enkel blind te staren op de uiteindelijke realisatie, maar ook de andere voorstellen in het archief te taxeren als relevante ontwerpkennis. De ‘verliezende’ ontwerpen leerden me vooral beter kijken naar de ‘winnaar’.

Het eigenzinnige ontwerp van De Smet Vermeulen architecten voor Crematorium Heimolen trok mijn aandacht. Het betreft een architecturale wandeling tussen verspreide paviljoenen waarin alle aspecten van de rouwverwerking verspreid liggen. In de jurybeoordeling blijkt de nadrukkelijke vormgeving van de schouw een veel te expliciete verwijzing naar verbranding. Plots begreep ik beter het nut van de kunstige wand rondom het verbrandingsoven in het ontwerp van Claus en Kaan. De enige functie ervan bestond erin de schoorsteen netjes te verbergen en de verwerking van de doden vooral niet ter sprake te brengen.

Een ander indrukwekkend voorstel kwam van Amor Fati, een samenwerking tussen Wim Cuyvers en Carl Bourgeois. Het ontwerp toont een verzamelgebouw voor zowel de verbrandingsoven als het onthaal, de ceremonieruimte en de zaal voor de rouwmaaltijd. Het krijgt de naam ‘Weeping Building’ en de droefenis wordt door de regen hier en daar binnen te laten.

Het voorstel combineert alle programmaonderdelen op de plaats waar Claus en Kaan de verbrandingsoven plaatste, aan de achterzijde van de begraafplaats pal naast de E17-autostrade (Gent-Antwerpen). Het complex wordt direct toegankelijk gemaakt met een afrit van de autostrade, alsof het een tankstation/wegrestaurant betreft. Dichter kan je de dood niet brengen bij het dagelijkse leven.

Ik polste bij Wim Cuyvers naar de waardering van de jury. Het antwoord was naast de kwestie, maar legde de vinger op de tere plek. Wim Cuyvers beschreef hoe hij op de dag van de jury met de auto de parking opdraaide van het gebouw waar de presentatie doorgaat. Gelijktijdig parkeert een andere wagen met kenteken AWG-001, de bureaunaam van toenmalig Vlaams Bouwmeester bOb Van Reeth. Wim Cuyvers beseft dat de wedstrijd verloren is. Een gepersonaliseerd kenteken gaat niet samen met de dingen des levens. De Open Oproep was niet bedoeld om diep na te denken over de vormgeving van de dood.

Camouflage en verbloeming

Dezelfde Handleiding Open Oproep bevat ook het crematorium Daelhof in Zemst. Crematoriumbeheerder Intercommunale Havicrem deed evenzeer beroep op de Vlaams Bouwmeester. Het archief van de Open Oproep bevat zo vijf bijzondere ontwerpen van Christian Kieckens, Sou Fujimoto, NU architectuuratelier, noAarchitecten en Pascal Flammer.

Een vast kenmerk in alle vijf ontwerpen is de omfloerste omgang met de locatie, het bedrijventerrein ‘Cargovil B’ met gebruikelijke schoendozenarchitectuur. De vormgeving van de crematoria wordt overladen met menselijke gevoelens van diep verdriet voor het overlijden van geliefden, en verbergt ondertussen de treurnis op het bedrijventerrein. Het ontwerp van Christian Kieckens Architects, inmiddels uitgevoerd, toont een abstract vormenspel van rechthoeken en cirkels in een gebouw dat zich in zichzelf keert. In de ontwerpen van noAarchitecten en Sou Fujimoto Architects worden pathetische gedachten over de dood geprojecteerd op een klein strookje natuur aan de rand van het bedrijventerrein.

De ontwerpen voor het crematorium in Zemst tonen hoe de innoverende werking van de Vlaams Bouwmeester stoot op de harde steen van de grondaankoop en bodembestemming. Het is één ding om de ontwerpopdracht deel te maken van reflectie en vervolgens goede architecten aan te stellen, maar de locatie verander je niet in een vingerknip. De tijd van het kerkhof rond de parochiekerk ligt ver achter ons. Blijft wel opvallend hoe de Open Oproep een ontwerpend onderzoek geworden is naar de camouflage en verbloeming van het toenemende industriële karakter van de dood.

Pathetische architectuur

De Vlaamse Bouwmeester was betrokken bij de bouw van een hele reeks crematoria: Polderbos in Oostende door Office KGDVS, Uitzicht in Kortrijk door Eduardo Souto de Moura en SUM Architecten, Hofheide in Holsbeek door COUSSÉE & GORIS architecten en RCR Arquitectes, Stuifduin in Lommel door A20 architecten, en tenslotte in Aalst door Felix Claus Dick van Wageningen Architecten. Telkens opnieuw neemt de pathetische architectuur van het crematorium onze gevoelens van verdriet over. Architecturale kwaliteit is een manier om sierlijk naast de kwestie te praten. En, ondertussen draai ik nu al een heel artikel rond de pot. Nog steeds weet ik bitter weinig over de manier waarop mijn islamitische buren de dood beleven en nog minder over de architectuur waarbinnen dat gebeurt.

Column #5 over de oorsprongen van de architectuur . Gepubliceerd in De Architect 49 (3)

 

Categories: Architecture

Type: Article

Share: