Article

Gevangen in toekomstig werelderfgoed


De ‘Koloniën van Weldadigheid’ vormen een uniek verhaal van vrijheidsberoving en disciplinering in de Noorderkempen. Erkenning als Unesco-werelderfgoed zal niet lang meer uitblijven. En toch blijven de gevangenissen afwezig in de toekomstplannen. Met het oog hierop initieerden AR-TUR (Centrum voor architectuur, stedelijkheid en landschap in de Kempen) en Prison Gear (BAVO/KU Leuven) in samenwerking met de Federale Overheidsdienst Justitie een cultureel programma onder de noemer ‘Kempenlab 1: Gevangen in beschermd landschap’.

Download PDF

Kort voor de zomer werd het bezoekerscentrum Kolonie 5–7 in Merksplas geopend. De cijfercode verwijst naar de zeven ‘Koloniën van Weldadigheid’ die aan het begin van de 19de eeuw in de Verenigde Nederlanden gebouwd werden in afgelegen gebieden. In die zeven kolonies – Veenhuizen, Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans, Merksplas en Wortel – zouden duizenden landlopers, bedelaars en weeskinderen aan het werk worden gezet.

Het bezoekerscentrum is de aanzet van een ambitieus plan waarmee Stichting Kempens Landschap (een samenwerking van de Provincie Antwerpen en 40 gemeenten) de kolonies terug op de kaart zet als recreatief gebied en de landbouw nieuw leven inblaast. Sinds de afschaffing van de Wet op de Landloperij in 1993 zijn de kolonies voor een stuk omgevormd tot gevangenissen en later ook tot gesloten centra voor ‘illegalen’. Dat betekende tegelijk hun versnippering en teloorgang.

De feestelijke opening van het bezoekerscentrum was het startschot voor een ambitieuze herontwikkeling van de kolonies en gebeurde in aanwezigheid van minister-president Geert Bourgeois, minister Ben Weyts en gedeputeerde Peter Bellens. Opvallend was dat in de toespraken niet alleen naar de roemruchte geschiedenis van de kolonies werd verwezen, maar ook voorstellen werden gedaan om de gedetineerden in te schakelen in een nieuwe sociale economie en transitiehuizen te voorzien als alternatief voor de gevangenis. Die voorstellen kregen opmerkelijk genoeg algemene bijval.

Een gepixeleerde ‘vlek’

De tijden zijn wel eens anders geweest. Nog geen jaar geleden stond de muitende gevangenis van Merksplas in brand. Doorgaans is een ontsnappingspoging een reden om een extra omheining op te trekken en nog meer beveiligingsmaatregelen te nemen (concertina, camera’s, etc.). Geen wonder dat de gevangenis van Merksplas in de visievorming voor het kolonielandschap en de opmaak van het Unesco-dossier een blinde vlek is gebleven. Stille getuige daarvan is de gepixeleerde vlek op alle in het bezoekerscentrum tentoongestelde luchtfoto’s – waardoor Google Earth een vollediger beeld verschaft dan de expositie zelf.

Sinds de afschaffing van de landloperij heeft de FOD Justitie zich niet meer moeten bekommeren om het landschap en erfgoed buiten de gevangenis. Een lokale gevangenisdirecteur vergoelijkt – ik parafraseer: ‘We hebben het al druk genoeg met wat er binnen gebeurt, laat staan dat we tijd hebben om buiten de muur orde op zaken te stellen.’ De blinde vlek in de erfgoedplannen is éé n ding. Vanuit het perspectief van de gevangenis vormt het landschap van de Noorderkempen echter evengoed een witte leegte.

Ondertussen worden er plannen opgemaakt voor de gevangenis van Merksplas. Een directeur vraagt zich af hoe het in godsnaam mogelijk is dat de Regie der Gebouwen de lokale gevangenisdirectie een ontwerp en een budget opdringt. De realiteit is complexer, aangezien het in de eerste plaats de politieke overheid is die budgetten oplegt. Maar de frustratie is tekenend voor de gespannen sfeer waarin bouwprojecten in de gevangeniswereld tot stand komen. Een andere directeur zegt: ‘in de wereld van de gevangenis klaagt iedereen over iedereen – het valt pas op als je er buiten staat.’ Justitie verwijt de Regie, de Regie zegt het behoeftenprogramma van Justitie uit te voeren, de gevangenisdirectie klaagt over de moeilijke onderhandelingen
met de vakbonden, de cipiers wijzen naar ‘de mannen’, allemaal samen wijst men naar ‘Brussel’, de administratie wijst naar het kabinet en ondertussen blijft alles bij het oude.

Werkgroepen en workshops: een professioneel burgerinitiatief

Het was in deze context dat AR-TUR en Prison Gear (KU Leuven) het initiatief namen om een programma op te zetten rond de
positie van de gevangenissen in het beschermde landschap. Een opinieartikel over ‘toiletemmers in werelderfgoed’ (De Standaard
3/6/2016) functioneerde als openbare aanklacht. De idee was gebruik te maken van de culturele vrijplaats om betrokken en
belanghebbende partijen rond de tafel samen te brengen en zo te komen tot een breed gedragen visie. We kregen uiteindelijk de
genereuze steun van het Opleidingscentrum voor Penitentiair Personeel (FOD Justitie).

Een brief komt altijd aan bij de bestemmeling, zegt het volksgeloof – ook zonder geadresseerde. Zo geschiedde met een open uitnodiging verstuurd per eenvoudige e-mail. Een bonte groep van kabinetsmedewerkers, volksvertegenwoordigers, schepenen, gevangenisdirecteuren, welzijnswerkers, professionals, professoren, ontwerpers en vrijwilligers tekende present. Het traject bestond uit een bezoek aan de gevangenissen van Merksplas en Hoogstraten en daaropvolgende workshops, filmvoorstellingen (binnen en buiten de gevangenis) en debat.

De participatie van gedetineerden in de workshops had wat meer voeten in de aarde, maar bleek niet onmogelijk. Voorafgaandelijk organiseerden we workshops in de gevangenis van Hoogstraten. Een publieke filmvoorstelling op een middag in de gevangenis van Hoogstraten was een mogelijkheid om een discussie te voeren met een grote groep gedetineerden. De inhoudelijke ambitie was duidelijk. De vraag was hoe we de renovatie van de gevangenis in Merksplas (voorzien in het ‘Masterplan 3’ gepresenteerd door minister van Justitie Koen Geens) kunnen gebruiken om aan te knopen bij de ambitieuze plannen voor het Kempens landschap. En omgekeerd: hoe kunnen we de aandacht rond de Kolonie gebruiken om de levensomstandigheden in de gevangenis menswaardiger te maken? Hopelijk kunnen de toiletemmers dan als curiosa verhuizen naar de tentoonstelling in het bezoekerscentrum.

Het traject kende evengoed een methodische ambitie. De uitdaging was om de lokale gemeenschap te betrekken in de discussie. Vooralsnog blijft de vrijheidsberoving het monopolie van de staat, maar het formuleren van ideeën over humane gevangenisarchitectuur staat iedereen vrij. Een groepje enthousiaste individuen legde expertise en ervaring samen om te komen tot een collectief gedragen visie. De werkgroepen kwamen tot een drietal samenhangende voorstellen. Elk voorstel is een transversale sleutel die versnipperde bevoegdheden – federaal, regionaal, provinciaal, lokaal – in elkaar haakt.

Penitentiaire zorgboerderij

De werkgroepen focussen in de eerste plaats op het landschap ‘binnen den draad’. De vrijstaande paviljoenen zijn in de loop van de eeuw ingekapseld door een stelsel van omheiningen en de pastorale omgeving is verworden tot een kale steenvlakte. Er staan nog wel enkele kolossale bomen met een beschermd statuut, maar verder is er in de gevangenis geen sprietje groen te bespeuren. Historische foto’s inspireren de werkgroep om de gedetineerden als vanouds te laten profiteren van een groene, landschappelijke omgeving voor werk en ontspanning. Vrijheidsberoving neemt niet weg dat de gedetineerden evengoed gelucht kunnen worden in een landschapstuin met slingerende paadjes en bloemperkjes. Of waarom geen moestuin? Gedetineerden kunnen er verantwoordelijkheden opnemen of opleidingen volgen die later nuttig zullen zijn als ze weer vrijkomen. In de werkgroepen werd de gevangenis herdoopt tot een ‘penitentiaire zorgboerderij’ – of een ‘penitentiair rust- en verzorgingstehuis’.

Transitiehuizen

Het door de minister van Justitie geopperde idee om transitiehuizen in gebruik te nemen werd door de werkgroepen warm onthaald als een kans om de typische one-size-fits-all gevangenis te doorbreken en tegelijk de open ruimtelijke structuur van de kolonie te herstellen. In het beste geval zijn de transitiehuizen min of meer normale huizen in de zogenaamde Gentse Wijk of aan de Steenweg op Rijkevorsel. Tegelijk worden de oude aalmoezenierswoning, de psychiaterswoning en nog veel meer andere leegstaande gebouwen ‘binnen den draad’ aangewezen als mogelijk transitiehuis, bijvoorbeeld voor de zogenaamde kerngroep die actief is in het groenbeheer. Een transitiehuis kan ook dienst doen als bezoekerscentrum van de gevangenis – naar het voorbeeld van het historische ‘Gasthof’. Vandaag staan families met kinderen rond te draaien op een strookje gras naast de bushalte aan de steenweg. Waarom zou men op het grasperk voor de gevangenispoort niet een speeltuin voor kinderen en een luifel ter bescherming tegen de natuurelementen voorzien? Hiermee komen de werkgroepen tot een nieuw ruimtelijk model van transitiecirkels als basis van een poreuze gevangenis, waarin een begin wordt gemaakt met dynamische veiligheid, gedifferentieerde detentie en gastvrije ontvangst.

Centrum voor sociale economie

De werkgroepen stellen voor om van de gevangenis een centrum voor sociale economie te maken, met een onschatbare meerwaarde in opleiding, natuurbeleving en bovenal menselijkheid. Om te beginnen willen ze de bestaande productiecirkels in de gevangenis sluiten. Zo dient de voedselproductie in de gevangenis van Hoogstraten vandaag enkel voor externe consumptie, terwijl de maaltijden voor de gedetineerden vooral bestaan uit poederbereidingen (melk, soep, vleessaus, …) en diepvriesproducten. De sociale economie staat ook model voor het benutten van het bestaande aanbod beroepsopleidingen in de modernisering van de gevangenisinfrastructuur. Hoe kun je vanuit goed beheer verklaren dat de gevangeniscomplexen in Hoogstraten en Merksplas in verregaande staat van verval verkeren, terwijl de gedetineerden op dezelfde locatie een beroepsopleiding volgen als metselaar, stukadoor, schilder of elektricien? Om nog maar te zwijgen over de stelling die al een vijftal jaar op de koer van het Gelmelslot staat – niet om aan de gevel te werken, maar slechts als stutwerk voor de rotte dakgoot. Als antwoord grijpen de werkgroepen terug naar het verleden. Het autonoom bestuur van de Kolonie zorgde toen voor ruime mogelijkheden in het beheer van de landerijen, boerderijen en eigendommen – al dan niet in pacht aan een lokaal landbouwbedrijf.

De vergeten partij

In een terugblik op de woorden van de bewindslieden reageert gevangenisdirecteur Serge Rooman enthousiast: ‘De workshops hebben de weg geplaveid waar anderen kunnen naar verwijzen en kunnen op lopen.’ Het is een onvergetelijke les. In de overspannen sfeer van het gevangeniswezen vliegen de verwijten in het rond, maar is het uiten van constructieve kritiek zo goed als onmogelijk. Het collectieve subject van de workshops bood een uitweg. De plotse aandacht voor sociale economie met gedetineerden in de kolonie toont hoe moeilijk het is om goede ideeën achter tralies te houden.

Directeur Rooman: ‘Het plan is een revolutie – al gaat er maar éé n gedetineerde extra naar buiten om te werken.’ Maar hoe is het zover kunnen komen? De gevangenis als zorgboerderij, het transitiehuis, het bezoekerscentrum, de gastvrije ontvangst, het natuurbeheer, het gebouwenbeheer, … de voorstellen hebben allemaal een historisch precedent in de kolonie en worden gedragen door de lokale gemeenschap. En toch betekenen een aantal bescheiden voorstellen een kleine revolutie in de huidige context van bestuurlijke versnippering en lethargie.

Wat de gevangenisdirecteur niet weet, is dat een gedetineerde tijdens een toevallige ontmoeting met de nodige trots zei: ‘Ik werk nu in de groendienst! Na het horen van al die verhalen in de workshops heb ik me onmiddellijk aangemeld.’ Laat die ene gedetineerde het bewijs zijn dat het samen aan de praat brengen van actoren een onderneming is die moeilijk kan mislukken. En laat die ene gedetineerde de aanzet zijn om ook Dienst Vreemdelingenzaken te betrekken in de workshops. Voorlopig zweeg iedereen zedig over het Gesloten Centrum voor Illegalen op de Kolonie. Iedereen was al blij over de gevangenis te kunnen praten. Het zal wat werk vragen om andere diensten aan te spreken, maar de vraag blijft dezelfde: wat doen we met die andere blinde vlekop de toekomstplannen?

Gepubliceerd in Ruimte #35, magazine van VRP

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: