Article

De stad als themapark


31/03/2021, De Standaard

De plannen voor Broeklin, ‘Uplace light’, zijn niet alleen­ problematisch voor de mobiliteit. Ze schetsen ook een somber toekomstbeeld voor stedelijkheid in Vlaanderen, schrijft Gideon Boie.

Dreigt een projectontwikkeling vast te lopen door een gebrek aan draagvlak? Strookt uw plan niet met de goede voornemens van de overheid? Vreest u bezwaren van buurtbewoners? Komen zelfs de besturen van buurgemeenten in actie? Huur de intendant en get away with murder. Dat is de les die we leren van Broeklin, de lightvariant van Uplace, een grootschalig winkelcentrum dat gepland is op de terreinen van de voormalige Renault­fabriek in Vilvoorde (DS 26 maart).

Het nieuwe plan werd opgemaakt door Alexander D’Hooghe, bekend als de intendant in het verhaal van de Oosterweelverbinding. De banale esthetiek in het ontwerp voor Uplace werd opgefrist met een modernis­tische look die past bij de postindustriële context. Ook de termen kregen een update: Broeklin gaat plots over circulaire stedenbouw, werkwinkelwijk, maakwinkels en zelfs stadslandbouw. Shuttles en evenementen­vervoersplannen moeten eventuele verkeerscongesties oplossen.

Na de boost met architecturale kwaliteit pakt Broeklin uit met de steun van onder meer Bond Beter Leefmilieu, Greenpeace én Voka. Komt het dan toch nog goed met stedenbouw in Vlaanderen? Te vroeg juichen is in de vastgoedontwikkeling even gevaarlijk als in het wielrennen. In de fase van de bouwvergunning krijg je schitterende beelden voorgeschoteld, maar het is pas in de realisatie duidelijk wat de mooie beloftes waard zijn. Tegelijk blijft er iets ongemakkelijks kleven aan de toekomstbeelden zelf.

Architectuurcriticus Michael ­Sorkin beschreef al in 1992 hoe stedenbouw in de VS ingepalmd werd door de logica van het themapark. De shoppingmall was hét voorbeeld van ‘een stad waar geen plaats aan vastzit’. Een winkelcentrum is niet verbonden met zijn omgeving. Sorkin omschreef het als de ‘plotseling ontsproten paddenstoelen op de promiscue knooppunten van het kapitaal’ – in dit geval de Ring van Brussel.

Toch was de kritiek van Sorkin niet zozeer gericht op de urban sprawl, de voorstedelijke wildgroei. Hij viseerde vooral de povere conceptie van stedelijkheid in de shoppingmall. Ten eerste was de mall een generieke stad, waarvan de lokale identiteit even oppervlakkig was als een croque-monsieur in de McDonald’s. Ten tweede was de obsessie met veiligheid in de mall het teken van een stad die de integratie van gemeenschappen opgeeft. Ten slotte is het een television reality waarin aan elkaar gemonteerde nepidentiteiten meer aandacht krijgen dan het menselijke ecosysteem.

De kritiek is actueler dan ooit. Verkeerscongestie kun je nog wel oplossen met evenementenvervoersplannen, maar de fundamentele vraag is welk toekomstbeeld Broeklin schetst voor stedelijkheid in Vlaanderen. De termen werkwinkelwijk, maakwinkels, stadslandbouw en circulariteit tuimelen over elkaar in de hijgerige zoektocht naar een identiteit die generiek blijft. De 3D-visualisaties tonen een uitgeholde moderniteit waarin de mens slechts verschijnt als consument, want verkijk je niet: de zogenaamde makers in Broeklin zijn evengoed consument van het vastgoedproduct.

Michael Sorkin sprak over de mall als een ersatz-stad, substituut voor de democratische ruimte – u zult in een winkelcentrum nooit gestoord worden door een betoging. Die postpolitieke logica lijkt nu ook deel uit te maken van stedenbouw in Vlaanderen. Broeklin, zowel het product als het ontwikkelingsproces, illustreert dat. Het is een goede zaak om middenveld­organisaties bij projecten te betrekken, maar in het geval van Broeklin lijkt dat vooral een zet om kritiek ondenkbaar te maken. Welke minister of burgemeester durft nog een kritisch geluid te laten horen, nu zelfs de tegenstanders van het vroege uur – Bond Beter Leefmilieu en Voka – overstag gaan?

Een opvallende afwezige in de consensus rond Broeklin blijft de Vlaamse Bouwmeester, Erik Wieërs. Gezien de omvang en de impact van het ontwikkelingsproject is er meer dan reden genoeg om professioneel advies in te winnen bij de projectdefinitie, archi­tectenkeuze en kwaliteitsopvolging. Architectuur laat je niet over aan architecten alleen, zei de eerste Vlaamse Bouwmeester, Bob Van Reeth, ooit. Dan is het ook niet zo slim om stedenbouw over te laten aan onderhandelaars, hoe verlicht ze ook mogen zijn. Opgefokte termen en beelden vormen het glijmiddel voor een stedenbouw waar elk handboek eerder voor waarschuwde.

Gepubliceerd door De Standaard, 31 maart 2021

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: