Wie is er bang van het Bouwmeestercollege?

BAVO


2014, De Standaard

Image: Stijn Bollaert

Een korte passage in het nieuwe Vlaams regeerakkoord heeft menig opiniemaker ertoe gebracht het ultieme doemscenario aan te kondigen: de afschaffing van de Vlaams Bouwmeester en de verambtelijking van een pril maar dynamisch architectuurbeleid in Vlaanderen. Onderstaand artikel becommentarieert het debat en zoekt naar de kansen die het vooropgestelde Bouwmeestercollege biedt voor de architecturale en ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.

Christophe Van Gerrewey ging het verst in de onheilsprofetie en verkondigde (DS 26/7) hoe een coup de théâtre door de bouwmarkt meteen het einde betekent van de Vlaamse architectuur als zodanig. Hij veegt de terugkerende kritiek op de beperkte transparantie in de werking van de Vlaams Bouwmeester van tafel met het argument dat ‘objectiviteit niet bestaat’ en architectuur uiteindelijk rust op ‘vertrouwen’ – een term die hij schamper ontleent aan de titel van het regeerakkoord. Er is voor hem simpelweg ‘geen alternatief’ op de huidige werking van de Vlaams Bouwmeester behalve ‘uitschuivers uit het verleden’ – een prehistorisch tijdperk waarin de bouwmarkt onbeschaamd haar ding deed.

Dezelfde kritiek wordt preciezer en minder apocalyptisch verwoord in de gezamenlijke brief van de decanen van de Vlaamse architectuurfaculteiten (DS 1/8). Zij argumenteren dat de Vlaams Bouwmeester voor jonge, talentvolle ontwerpbureau’s de poort opende naar overheidsopdrachten. Op die manier heeft de Bouwmeester innovatie mogelijk gemaakt in een wereldje waarin gevestigde architecten- en ingenieurskantoren gemakkelijk wegkwamen met ondoordachte, maar goedbetaalde architectuur. Deze verdienste is terecht en is zonder twijfel ook vandaag aan de orde – in de ziekenhuissector bijvoorbeeld drukken grote ontwerpbureau’s nog steeds de ereloonnota’s tot onder de 5% door plannen gedachteloos te kopiëren.

Meer bouwmeester, meer marktwerking

De vraag is of de verdediging sterk genoeg is om het nakende onheil te keren? Problematisch is dat de verdediging een eenvoudige omkering vormt van de positie die toegedicht wordt aan de N-VA. De verdediging voert aan dat de Vlaams Bouwmeester staat voor kwaliteit en innovatie, terwijl de architectuur zonder Bouwmeester overgeleverd wordt aan de wetten van de vrije markt. Hiermee dreigt een stellingenoorlog tussen de architectuurwereld en een politieke opvatting dat wel gelooft in de heilzame werking van de markt en overheidsbemoeienis juist kwaliteit tegenwerkt. Het pleit winnen wordt voor architecten extra moeilijk nu deze politieke opvatting zich opwerpt als grondstroom in Vlaanderen.

De vraag is bovendien of de eenvoudige voorstelling van zaken (bouwmeester versus bouwmarkt) recht doet aan de realiteit? De Vlaams Bouwmeester heeft altijd een vlotte samenwerking vooropgesteld tussen publieke overheid en haar private partners. In de scholenbouw bijvoorbeeld bestonden heel wat Open Oproepen uit een publiek-private samenwerking. In de Ambitienota zette Peter Swinnen in op een specifiek maatwerk ‘omdat we wel degelijk geloven dat PPS maatschappelijke relevante opdrachten kan opleveren.’ Recent zocht ook Pilootprojecten Zorg naar voorstellen waarin een ontwerpteam zich onmiddellijk associeerde met een opdrachtgever en/of projectontwikkelaar.

De Vlaams Bouwmeester functioneert hiermee als smeermiddel van een ‘corporate governance’ waarin ondernemers (architecten evengoed als aannemers) niet blindelings de overheidsbestekken uitvoeren, maar nu ook een eigen stem én verantwoordelijkheid krijgen in de projectdefinitie zelf. In dit licht bekeken, kan vrije marktwerking in het ontwerp van overheidspatrimonium geen argument zijn om de Bouwmeester af te schaffen – eerder integendeel. De functie van een Bouwmeester vormde altijd een breekijzer tegen administratieve verkokering en regelneverij en wordt daarvoor alom geprezen. Een eventuele afschaffing van de Vlaams Bouwmeester zal om deze reden een pyrrusoverwinning voor de bouwmarkt zijn.

Oude eigenschappen van een nieuwe bouwcultuur

Een pyrrusoverwinning voor de markt – tenzij de verandering in de werking van de Vlaams Bouwmeester om iets anders gaat: niet zozeer het vrijmaken van de markt, maar het herstel van de ‘primauteit van de politiek’ in de samenwerking met ambtenarij. De vrees onder opiniemakers is dat een andere werking van de Bouwmeester afbreuk doet aan de professionalisering van overheidsopdrachten en architectenselecties terug deel gaan uitmaken van politieke akkoorden. Deze positie eenzijdig toedichten aan de N-VA is echter onterecht, aangezien een charter hieromtrent bekrachtigd werd door de vorige regering. Hoe dan ook zwijgt de verdediging zedig over de interne politiek die een instrument als de Vlaams Bouwmeester doorkruist.

Het is een fantasie om de Bouwmeester voor te stellen als een absolute, onvermurwbare voorvechter van kwaliteit. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ook de ‘nieuwe bouwcultuur’ in Vlaanderen zijn eigen uitschuivers kent. Zo gebeurde het positief advies van Marcel Smets voor de Oosterweelverbinding (ontwerp van Laurent Ney en Paul Robbrecht) door zich expliciet te onthouden van uitspraken over mobiliteit, milieueffecten en stedenbouwkundige inbedding van het project – een wreed lot voor de voorvechter van het ‘geïntegreerde architectuurproject’. En, recent werd het verplichte advies van Peter Swinnen voor de Gevangenis Beveren (ontwerp van Stéphane Beel en Jaspers-Eyers) slechts luttele dagen voor het indienen van de bouwaanvraag ingewonnen. De verhoopte ambitieverhoging in de gevangenisarchitectuur werd zo geridiculiseerd door Vlaanderen’s meest geprezen architect.

Tegelijk is er sprake van een soort structureel pragmatisme. Er wordt door critici van de Bouwmeester veel aandacht besteed aan de gebrekkige transparantie in de long- en shortlisting van de Open Oproep. Interessanter is dat de architectenselectie niet altijd garantie biedt op kwaliteit. Het archief van de Open Oproep toont dat de competitieve selectieprocedure niet noodzakelijk het beste uit architecten naar boven haalt. Aangezien de wedstrijdformule het laatste woord geeft aan de opdrachtgever – niet aan de Vlaams Bouwmeester – beperken de concurrerende ontwerpers zich veelal tot de creatieve reproductie van de projectdefinitie. Suggesties die aangedragen worden in de opdracht worden creatief in beeld gebracht, maar niet noodzakelijk verbeterd waar nodig.

Elk mandaat een eigen accent

De lamentaties bij de nakende ondergang van de Vlaamse architectuur lijken hoe dan ook voorbarig. Wivina Demeester, de voormalig Minister die het initiatief nam voor de eerste Vlaams Bouwmeester, reageerde (Radio1 28/7) opvallend rustig op het regeerakkoord. Zij wijst vooral op de openingen die de tekst biedt om de functie van Bouwmeester ook in toekomst uit te oefenen en Vlaamse architectuur internationaal op de kaart te zetten. De vraag is welke nieuwe accenten de vierde Bouwmeester kan leggen binnen het kader van het Regeerakkoord. Behalve het idee van een meerkoppig college vallen eerst en vooral twee andere nieuwigheden op.

Ten eerste, is er de suggestie dat het Bouwmeestercollege zal aangeduid worden vanuit een zogenaamd ‘architecturaal middenveld’. Op zich biedt de introductie van het middenveld in de werking van de Bouwmeester weinig reden tot bezorgdheid. Wie heeft er iets op tegen dat maatschappelijke organisaties en bewegingen nauw betrokken worden in het ontwerp van patrimonium met publiek belang? Het voorstel past binnen de idee dat de overheid niet alles zelf hoeft te regelen en te weten, maar hiertoe kan steunen op een ruim netwerk van maatschappelijke partners. Probleem is echter dat er vooralsnog geen ‘architecturale middenveldorganisaties’ bestaan in Vlaanderen – tenzij een aantal kleine culturele organisaties (VAi, VRP, Architectuurwijzer, Ar-Tur, …) en lokale drukkingsgroepen (StRatengeneraal, Ademloos, …) die door de professionele wereld niet altijd serieus genomen worden.

Het doet Wivina Demeester vermoeden (DS 26/7) dat eigenlijk de beroepsorganisaties bedoeld wordt, zoals NAV. In dat geval is de verandering in de werking van de Bouwmeester inderdaad een stap terug, omdat hiermee de architectenselectie een gebeuren blijft binnen het gesloten circuit van het architectenberoep. Zo ver hoeft het niet te komen. Positief beschouwd biedt het regeerakkoord zowaar een opening om fors te investeren (best vanuit meer dan culturele middelen) in een nog op te richten architecturaal middenveld en in de architecturale sensibilisatie van het bestaande middenveld. Op die manier kan de architectenselectie in Vlaanderen vooruit gaan naar een zo objectief, transparant en democratisch mogelijk afwegingsproces.

Ten tweede, is er de verhuis van de Bouwmeester naar het departement Ruimtelijke Ordening – in de mediadebatten betiteld als de ‘inkanteling’. Ook hier geldt op zich weinig reden tot bezorgdheid. Tot nu was de Bouwmeester een ambtenaar onder de algemene bevoegdheid van de Minister van Bestuurszaken. Resultaat is dat de Bouwmeester hard werkt om ingang te vinden in alle specifieke overheidsbevoegdheden. Reeds van in het prille begin heeft de Vlaams Bouwmeester hiertoe partnerschappen afgesloten met administraties en agentschappen. Ook Peter Swinnen heeft met de Pilootprojecten uitdrukkelijk bruggen gebouwd naar bijzondere beleidsdomeinen (Wonen, Zorg, Landbouw, …) De inkanteling is dus in zekere zin continu met de bestaande werking van de Bouwmeester en kan de slagkracht nog verhogen.

Wél zorgwekkend is dat de inkanteling voorzien wordt in slechts één specifiek beleidsdomein, in dit geval Ruimtelijke Ordening. Hiermee wordt het eerder genoemde principe van het ‘geïntegreerde architectuurproject’ moeilijk gemaakt – eerst geformuleerd in de beleidsnota van Marcel Smets. Het idee is dat architectuur niet ondergebracht kan worden in één vakje (cultuur, RO, milieu, verkeer, welzijn, landbouw, …) maar juist de gepaste verknoping betreft van al deze beleidsdomeinen. Architecturale kwaliteit gaat verder dan de vormgeving van een huis, brug of landschap en bepaalt doorheen de specifieke constructie de gestalte van de totale leefomgeving. Een inkanteling van de Vlaams Bouwmeester binnen Ruimtelijke Ordening verloopt dus best parallel aan een gelijktijdige inkanteling in Milieu, Mobiliteit, Welzijn, Landbouw, etc.

Praten vergt durf

Hiermee kunnen we de fel gehekelde verandering van één Bouwmeester (met Team) naar een meerkoppig College van Adviseurs onder voorzitterschap van de Vlaams Bouwmeester ook op een positieve manier begrijpen. Koen Van Synghel vreest een praatbarak (DS 2/8) – maar rest ons iets anders dan overleg? Ontstaat architecturale en ruimtelijke kwaliteit niet vanuit diepgaande reflectie over de vormgeving van onze leefomgeving? Gebeurt deze visievorming niet best vanuit een open en breed professioneel overleg? Kunnen daarbij niet best alle beleidsdomeinen betrokken worden? En biedt het middenveld niet een extra bron van kennis en ervaring? Het Bouwmeestercollege kan vanuit een fundamentele visievorming de politieke besluitvorming informeren en inspireren.

Naar voorbeeld van Nederland kan elke adviseur een specifiek beleidsdomein dekken, zoals Wonen, Welzijn, Milieu, Mobiliteit, etc. Eventueel kunnen bijzondere adviseurs ingeschakeld worden voor urgente problemen (overstromingen) of crisisgebieden (Limburg). De adviseurs treden, onder de hoede van de Vlaams Bouwmeester, met elkaar en met het architecturaal middenveld in overleg en wegen zo de specifieke materies af binnen het kader van een algemene bewaking van de architecturale en ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving in Vlaanderen. Is een dergelijk scenario niet juist een mogelijkheid om een ambitieus vierde hoofdstuk te breien aan de werking van de Bouwmeester en haar werking blijvend te verankeren in de uitbouw van Vlaanderen?

 

Een korte versie van dit artikel werd gepubliceerd als opinie in De Standaard 21/8 onder de titel ‘De Bouwmeester en de onheilsprofeten

Categories: Architecture

Type: Article

Share: