Waarom kunstenaars nog niet fascistisch genoeg zijn

BAVO


31/10/2011, Rekto:Verso

De dictatuur van de kunst! Dit is hetgeen waartoe de Duitse kunstenaar Jonathan Meese zich de afgelopen jaren hard maakt in zijn performances. Gedaan met het vermaatschappelijken en democratiseren van de kunst in een wanhopige poging om deze laatste te legitimeren. Het is omgekeerd de maatschappij of democratie die zijn legitimiteit te danken heeft aan de kunst, en dus moet ‘verkunst’ worden. Meeses pleidooi voor het instellen van een dictatuur van de kunst vindt zijn weerslag in een oeuvre van exuberante schilderijen met een mix van persoonlijke hiërogliefen en collages, installaties, sculpturen uit een variëteit aan materialen, maar vooral in een serie extatische performances. Deze stormachtige performances met muziek- en videoloops kunnen het best omschreven worden als neo-expressionistische, hypnotiserende en haast zelfvernederende epen van een antiheld.

Met zijn quasi-fascistische en antihumanistische kunstopvatting kan Meese op veel sympathie rekenen binnen hedendaagse artistieke kringen. De reden hiervoor is ongetwijfeld de steeds zwaardere druk die op kunstenaars uitgeoefend wordt om voor zichzelf een niche te creëren binnen een breder cultureel programma gebaseerd op waarden zoals democratie en participatie. Hiermee staat de traditionele autoriteit en autonomie van de kunst meer dan ooit op het spel. In dit essay tonen wij aan hoe Meese in het voetspoor treedt van radicale filosofen zoals Jacques Rancière, Slavoj Zizek en Alain Badiou, die evenzeer veel populariteit genieten binnen de hedendaagse artistieke voorhoede. We laten zien dat in tegenstelling tot Meeses vermeende fascisme, een meer geschikt antwoord op de dominantie van het huidige paradigma van cultuur met de kleine c ligt in het blootleggen van de dictatoriale en fascistische elementen van dit paradigma zélf. Of anders gesteld: om echt geloofwaardig te zijn, is Jonathan Meese nog niet fascistisch genoeg.

DE VERMAATSCHAPPELIJKING VAN DE KUNST

Vroeg in de eenentwintigste eeuw lijkt de notie van de populaire cultuur zich voorgoed gevestigd te hebben als het heersende paradigma met betrekking tot de kunsten. Zowel bij beleidsmakers als de bevolking, overheerst het idee dat kunst breed gedragen moet zijn door de samenleving, dat het zich moet inbedden en inleven in haar maatschappelijke context en er haar relevantie moet bewijzen, of nog: dat kunst in interactie moet treden met het publiek zowel in haar productie als consumptie. Van de hedendaagse kunstenaar wordt verwacht dat hij zich fascineert voor de maatschappelijke context waarin hij leeft, dat hij zoveel mogelijk partijen betrekt in het productieproces, dat hij de juiste toon weet aan te slaan en de geschikte platforms weet uit te kiezen om bepaalde doelgroepen aan te spreken en te mobiliseren, dat hij zichzelf niet ziet als de bezitter van een exclusieve en gespecialiseerde expertise maar integendeel steeds zijn eigen autoriteit en auteurschap in vraag stelt en samenwerkt met niet-ingewijde leken. Kortom, werd er in de tweede helft van de twintigste eeuw nog fel strijd geleverd tussen de voorstanders van de zogenaamde hoge kunst en deze van de populaire cultuur, dan lijkt de strijd vandaag definitief beslecht in het voordeel van de laatste. Participatie, democratisering, maatschappelijke inbedding zijn termen die niet meer weg te denken zijn uit de kunstpraktijk. De temen overheersen zowel de talrijke beleidsnota’s als het discours van curatoren en kunstenaars.

Maar het is niet zo dat met de hegemonie van de populaire cultuur de hoge kunst volledig geëlimineerd is. De laatste heeft eerder een eigen niche gekregen binnen het cultuurparadigma, vanwaar het samen met andere vormen van culturele productie zoals design of architectuur veelvuldig ingespannen wordt voor het reproduceren en garanderen van de liberale democratie. Zo wordt de hedendaagse kunst bijvoorbeeld volop erkend en ingezet als een zachte doch effectieve kracht voor het opnieuw lanceren van een lokale economie, het opwaarderen van stadsdelen en het gecontroleerd tackelen van gevoelige thema’s. Met andere woorden, ook al wordt de kunst gevraagd om vooral haar eigen ding te doen, dan nog ontsnapt zij niet aan de invloed van het heersende normatieve kader van maatschappelijk engagement en relevantie. Dit kan je zien als de prijs die verheven kunst moet betalen voor het behoud van oude privileges in een nieuwe tijd. Zowel de kunstenaar zelf, alsook zijn of haar activiteiten en producten, worden steeds meer beroofd van hun traditionele aura, autonomie en autoriteit. Binnen het nieuwe paradigma geldt dat iedereen en alles kunst kan en mag zijn.

VERSUS DE DICTATUUR VAN DE KUNST

Het was te voorspellen dat tegen de vermaatschappelijking van de kunst vroeg of laat een felle reactie zou komen van de kant van de kunstenaars. Met de Duitse kunstenaar Jonathan Meese heeft de verongelijkte kunstenaarspopulatie vandaag een heroïsche voorvechter gevonden van aloude rechten en privileges. Met name de kunstopvatting die Meese de laatste jaren op zijn eigenzinnige manier propageert, onder de noemer ‘dictatuur van de kunst’, moet de vele verongelijkte kunstenaars ongetwijfeld een hart onder de riem steken. Zijn kunstvisie lijkt hen een empathisch manifest te bieden om de strijd aan te knopen met het dominante cultuurparadigma. Meese, een vroege veertiger die sedert een paar jaren steeds meer internationaal actief is en erkenning krijgt, verkondigde zijn kunstopvatting recent nog tijdens een performance in de Amsterdamse Rietveld Academie. (1) Wij zien Meese, met lange haren en snor, donkere zonnebril en gekleed in zwart leren jas, ijsberen op een catwalk, terwijl hij in een zwaar Duits Engels accent als een goeroe zijn manifest opdreunt. Het vragenrondje gebruikt hij om zijn visie verder door de strot te rammen van het enigszins verbouwereerde publiek. Dit is ook in lijn met performances waarbij Meese op quasi-autistische wijze zijn ding doet zonder zich te bekommeren om enige interactie met het publiek laat staan haar reactie.

Nog los van de vraag of Meese daadwerkelijk meent wat hij zegt of slechts een nummertje opvoert, alsook zijn daadwerkelijke populariteit en invloed binnen de kunstwereld (we moeten ook geen olifant maken van een mug), is het betekenisvol dat hij precies in de huidige context de opvatting opvoert die hij opvoert en hiermee relatief veel weerklank vindt. In de eerste plaats, herkennen we in Meeses kunstconcept van ‘de dictatuur van de kunst’ de goede oude notie van de autonomie van de kunst, die we bondig kunnen uitdrukken met de slogan ‘kunst is kunst’. Voor Meese is kunst haar eigen maatstaf, criterium en autoriteit: het bepaalt zelf of het kunst is of niet, en waarom. De smaak van de mensen of zelfs van collega-kunstenaars of experts heeft hierop geen enkele invloed: de kunst bezit haar eigen waarheid los van de mens of de samenleving, aldus Meese, en deze waarheid bewijst zichzelf. Deze autonomie gaat zelfs zover dat Meese aan de kunst een eigen wil toebedeelt. Anders gezegd: kunst doet wat het zelf wil. De autonomie van de kunst is dus uitdrukkelijk niet de autonomie van de kunstenaar: deze laatste is, aldus Meese, slechts een voetsoldaat binnen de dictatuur van de kunst. Of de kunstenaar als dienaar van de kunst, dat kan ook – maar dan wel een geprivilegieerde dienaar. De enige functie van de kunstenaar is om de kunst bij te staan om te doen wat het zelf wil doen. De kunstenaar is slechts het tijdelijke, eindige instrument van een eindeloos meer belangrijke, superieure en bovenmenselijke kracht. Kortom, alsof de hoogdagen van het anti-humanisme in de jaren zestig nooit weg waren, wordt de mens – en diens al te menselijke gevoelens, ideeën en aspiraties – hier gedegradeerd tot een vehikel van de autonome en superieure entiteit ‘kunst’. De mens mag wel denken dat hij kunst maakt, bezit of gebruikt voor zijn eigen doeleinden, maar uiteindelijk is het tegenovergestelde het geval. Een meer radicale omkering van het dominante Cultuurparadigma en diens humanistisch-democratische instelling is moeilijk denkbaar. Meeses opvatting valt dus te typeren als anti-humanistisch en totalitair-dictatoriaal-fascistisch.

DE ZOVEELSTE HERGEBOORTE VAN DE ARTISTIEKE AVANT-GARDE

Tegelijk stelt Meese echter dat alles kunst is. Hij beschouwt de hele wereld als een theater of operastuk, spreekt over kunst als een wereldbeschouwing, als de totale macht en definieert kunst als het leiderschap van een ding. In die zin combineert Meese een autonome notie van kunst – in lijn met bijvoorbeeld de l’art pour l’art – met een heteronome opvatting – zoals bijvoorbeeld verdedigd werd door de historische avant-garde. Hij propageert dus niet alleen de stelling dat kunst zichzelf, is, maar tegelijk dat kunst alles is wat niet kunst is. Anders gezegd: kunst is niet alleen haar eigen autoriteit, zij is tevens de autoriteit van de hele wereld, ja zelfs het universum.

Met opvattingen als deze staat Meese niet alleen. Zij liggen in lijn met het overheersende denkklimaat bij de radicaal-linkse verdedigers van de hedendaagse kunst, hoofdzakelijk aangedreven door post- of neomarxistische filosofen als Jacques Rancière, Alain Badiou en Slavoj Zizek. Zo kan Meeses dubbele bevestiging van zowel de autonomie als de heteronomie van de kunst gezien worden als een variatie op Rancières formule van de politiek van de kunst.(2) Meeses opvattingen sluiten ook aan bij Badiou’s pleidooi voor een onmenselijke, niet-democratische kunst, die gebaseerd is op Badiou’s algemene kritiek op de democratie als een instrumenteel onderdeel van het hedendaagse neo-imperialisme.(3) Meeses nadruk op het maken van kunst als een plicht, waar het individu geen belang of plezier bij heeft of, sterker nog: in functie waarvan de kunstenaar zijn eigen trots en eigenwaarde totaal moet wegcijferen en zichzelf vernederen, doet dan weer sterk denken aan het neo-Kantiaans Lacanisme van Zizek.(4) Meeses opvatting dat kunst het radicaal kiezen van een kant vereist, een uitgesproken keuze vóór of tegen de kunst, niets tussenin, ligt dan weer in lijn met het neo-existentialisme van beide Zizek en Badiou. Kortom, is Meeses kunstvisie dus enerzijds oneigentijds omdat het ingaat tegen de terreur van het democratische, humanistische cultuurdenken, dan is het tegelijk ook erg eigentijds. Met zijn opvattingen tapt Meese echter niet alleen uit hetzelfde vaatje als befaamde anti-humanisten, democratie-bashers en neocommunisten als Zizek en Badiou. Hij deelt ook hun provocatieve stijl: de manier waarop deze denkers diametraal ingaan tegen het overheersende intellectuele en maatschappelijke klimaat en alle normen en waarden omkeren.

MENSELIJK, AL TE MENSELIJK

Wat moeten we nu denken van Meeses pleidooi voor het terug instellen van een dictatuur van de kunst in een tijd waarin deze meer dan ooit onderworpen wordt aan popularisering en democratisering? Voor een antwoord op deze vraag moeten we in de eerste plaats kijken naar de manier waarop Meese zijn kunstvisie verkondigt. Zijn performances worden duidelijk gekenmerkt door een tegenstrijdigheid tussen vorm en inhoud. Staat zijn kunstvisie voor een onverschrokken bekrachtiging van de kunst als een objectieve, superieure transcendente kracht die mens en universum totaal overheerst, dan komt de performance van Meese, zijn enthousiasme ten spijt, vooral ludiek over. In de eerder vermelde performance in de Rietveld Academie is niet alleen gegiechel te horen in het publiek, maar verraadt ook Meeses eigen stem een humoristische atmosfeer. Je krijgt niet het gevoel dat Meese zichzelf totaal wegcijfert als soldaat of dienaar in functie van het hogere doel, maar integendeel dat hij zijn eigen subjectieve eigenaardigheden (zijn goeroe-achtig uiterlijk, de spanning tussen zijn yuppie Adidasuniform en zijn archaïsche Gotische haargroei) zijn boodschap laat overheersen. Met de beste wil van de wereld kan je meegaan in Meeses verhaal, maar ooit moet je toch de vraag stellen dat het een wel erg ironische speling van het lot is dat de kunst nu net een miserabel wezen als Meese – die zelf aangeeft enkel te willen slapen en in zijn bakkuip liggen – uitgekozen heeft om haar totale revolutie te propageren onder de aardse bevolking.(5) Of zoals een blogger het formuleerde: ‘zijn ogen zijn te vriendelijk. Misschien zou hij meer succesvol zijn als worstelaar’.(6) Het effect hiervan is dat, zoals Claire Bishop het stelt, Meeses werk meer over Meese zélf gaat dan over zijn kunstvisie. Bishop typeert Meeses performances dan ook als een subjectieve ‘blitzkrieg’.(7) In die zin wordt de effectiviteit van het pleidooi van Meese voor de suprematie van Kunst sterk ingeperkt door een performatieve paradox: de oproep tot het elimineren van elke subjectiviteit en menselijkheid met betrekking tot kunst wordt ondermijnd door de al te subjectieve en menselijke manier waarop hij hiervoor pleit.

Je zou natuurlijk kunnen stellen dat juist dit contrast tussen de persoon Meese en diens visie op meest illustratieve wijze de radicale splitsing tussen Kunst (als a-subjectieve, oneindige en superieure entiteit) en de kunstenaar (als een eindig, inferieur wezen) tot uitdrukking brengt. Ditzelfde contrast wordt ook graag toegepast in Hollywoodfilms waarin een eindig, eerder belachelijk individu uitgekozen wordt door een bovennatuurlijke kracht om een belangrijke, bovenmenselijke missie uit te voeren. Het hele plot draait vervolgens rond het spagaat tussen het individu als eindig wezen en het individu als dienaar van het oneindige. Denk aan films zoals Evan Almighty of The Life of Bryan. Ons punt hier is dat dit contrast veelal uitgespeeld wordt voor zijn komisch effect – de persoon in kwestie zal alles in het werk stellen om aan zijn hogere missie te ontkomen. De gespletenheid van de protagonist in de film bevestigt zo eerder de heersende humanistische consensus van het onaanvaardbare van menselijke offers voor hogere doeleinden – de mens is een zwak, egoïstisch dier van wie niet kan en mag geëist worden zijn leven op te offeren – dan de mogelijkheid van dergelijke hogere roeping in beeld te brengen.

Het gepaste weerwoord op de te voorspelbare, clichématige kritiek op Meese dat hij een fascist is, is eerder dat hij niet fascistisch genoeg is. Dat Meese te pas en te onpas de Hitlergroet salueert komt over als een persoonlijke, idiosyncratische grap (vergelijkbaar met de flirt van modeontwerper John Galliano met Hitler) in het licht van zijn weigering om zichzelf als persoon weg te cijferen in naam van het grotere belang: in dit geval niet de Natie of het Ras, maar de Kunst.(8)

HET GAAT OM DE DICTATUUR VAN CULTUUR, SUFKOP!

Maar er is ook heel wat in te brengen tegen Meeses verhaal zélf. Het is al te gemakkelijk om in de huidige condities terug te pleiten voor een compromisloze terugkeer naar de hoogdagen van kunst met de grote K, de absolute antipode van cultuur met een kleine c. Dergelijk pleidooi zou het heersende paradigma dwingen tot bezinning en het aannemen van een meer bescheiden, zelfbewuste en zelfkritische positie. Het is echter onwaarschijnlijk dat het cultuurparadigma zich hiertoe zal opgeroepen voelen in confrontatie met haar absolute, complete tegendeel. Het is meer voorspelbaar dat zij zich integendeel zal gesterkt voelen in haar overtuiging omtrent de noodzaak van democratisering en vermenselijking van de kunst. In die zin is Meeses kunstopvatting veel te hysterisch: het neemt de al te vanzelfsprekende positie in om álles te bevestigen wat de heersende orde negeert. Meese verwerpt alles waar het cultuurparadigma voor staat: transcendentie in plaats van horizontaliteit, autoriteit in plaats van democratie, het bovenmenselijke in plaats van het al te menselijke, enzovoorts. Deze omkering van alle waarden mag dan wel bedoeld zijn om te provoceren, het is te transparant om dit doel daadwerkelijk te realiseren. Bovenal is Meeses kunstvisie een goed voorbeeld van wat Isaiah Berlin de ‘verlokking van het totalitarisme’ noemde.(9) Deze verlokking bestaat erin om tegenover de democratische monotonie terug te gaan pleiten voor het tegendeel van democratie: anti-individualisme, zuiverheid, revolutie, transcendentie, enzovoorts. Ook op dit vlak kan Meeses werk gezien worden in het verlengde van filosofen zoals Badiou maar vooral Zizek die bijvoorbeeld op onverbloemde wijze dweept met het Stalinisme.

Let wel: er is op zich niets fout met het opnieuw affirmeren van totalitarisme en autoriteit binnen de hedendaagse conjunctuur. De cruciale vraag is welke vorm van totalitarisme kunstenaars best aanmoedigen. Zoals een commentator opmerkt naar aanleiding van Meeses werk: ‘het is onwaarschijnlijk dat het fascisme zich ophoudt in de meest vanzelfsprekende plekken, zoals in een fascistische groet bijvoorbeeld’. Het is eerder zo dat: ‘het meest gevaarlijke fascisme eerder kan worden gevonden in schijnbaar ongevaarlijke zaken: de dingen die we allemaal doen, denken, geloven, de oorlogen en milieuschade die we veroorzaken als gevolg van het doen, denken, voelen, dragen, bekijken en consumeren van dezelfde (meestal idiote en super-oppervlakkige) dingen’.(10) Het is de taak van de kunstenaar om dit overheersende fascisme zélf (en niet haar foute tegendeel) te ondersteunen. Kunstenaars moeten het onderliggende, inherente en doorgaans onzichtbare fascisme van het cultuurparadigma zélf ten tonele voeren: de manier waarop cultuurparticipatie vaak dient als een instrument voor enge nationalistische agenda’s (bijvoorbeeld het creëren van regionale en nationale identiteiten), de manier waarop het inclusieve karakter van cultuur vaak de belangen van een beperkte politieke en financiële elite dient, hoe het een rechtvaardiging biedt voor het fascisme van de man in de straat of hoe het gebruikt wordt om dissidente stemmen in de samenleving op subtiele wijze te laten opgaan in de algemene consensus. Het opvoeren van deze fascistische elementen van het cultuurparadigma, die zich eigenlijk aan de oppervlakte bevinden maar niettemin meestal niet waargenomen worden, is een veel effectievere strategie voor het doorbreken ervan dan het anachronistisch en hysterisch opvoeren van haar gedateerde voorganger. Het eist van de kunstenaar dat hij daadwerkelijk fascistisch wordt, eerder dan het op carnavaleske manier te ensceneren.

Tekst gepubliceerd in Rekto:Verso #49

(1) De performance vond plaats op 27-9-2010 en een compilatie is te vinden op youtube.com. Voor het bijhorende manifest (getiteld: ‘Erzamsterdammanifest’), zie http://www.rietveldacademie.nl. Zie ook het interview met Meese door Nicolai Hartvig (26-1-2011), ‘Artist Jonathan Meese on why democracy is finished and why Koons is not King’, http://www.artinfo.com.

(2) Zie bijvoorbeeld Rancière, Jacques (2004), Malaise dans l’esthétique, Parijs: Galilée.

(3) Zie Badiou, Alain (2006), ‘Third Sketch of a Manifesto of Affirmationist Art’, In: Idem, Polemics, Verso.

(4) Kunstcritica Claire Bishop wijst op deze dimensie als ze Meese’s performances beschrijft in termen van een ‘Teutonische abjectheid’. Zie Bishop (3-1-2006), ‘Performance anxiety’, http://artforum.com.

(5) Interview met Meese door Nicolai Hartvig (26-1-2011), ‘Artist Jonathan Meese on why democracy is finished and why Koons is not King’, http://www.artinfo.com.

(6) Imomus (29-7-2007), ‘Click opera – Is Jonathan Meese a fascist?’, http://imomus.livejournal.com.

(7) Claire Bishop (3-1-2006), ‘Performance anxiety’, http://www.artinfo.com.

(8) Zie Imomus (29-7-2007), ‘Click opera – Is Jonathan Meese a fascist?’, http://imomus.livejournal.com en George, Diez (19/07/2007), ‘Why German artists should keep their hands off Hitler’, http://signandsight.com

(9) Zie George, Diez (19/07/2007), ‘Why German artists should keep their hands off Hitler’, http://signandsight.com.

(10) Imomus (29-7-2007), ‘Click opera – Is Jonathan Meese a fascist?’, http://imomus.livejournal.com.

Tags: Activism

Categories: Art

Type: Article

Share: