Volwassen jeugdtheater

BAVO


2010, Jaarboek Architectuur Vlaanderen

Image: Marie-Françoise Plissart

Het Brusselse jeugdtheater Bronks wil kinderen en jongeren in contact brengen met een breed spectrum aan podiumkunsten. Hierbij wordt de onbevangenheid van de jeugd geprikkeld zonder onnodig te infantiliseren. Het uitgangspunt lijkt essentieel, maar is vandaag allerminst vanzelfsprekend. De ambitie ook jongeren te erkennen als geëmancipeerde kunstconsumenten, gaat meestal gepaard met een bevoogdende afstemming op wat doorgaat als de leefwereld en de vormentaal van de doelgroep. Het nieuwe Bronkstheater ontwijkt dergelijk paternalisme door uitdrukkelijk niet onder te doen voor volwassenentheater – niet op vlak van programma en evenmin op vlak van architecturale uitstraling.

Het theatergebouw bestaat uit een kluwen van ruimten, gangen en trappen die elkaar op verschillende manieren kruisen en ontmoeten. Aan de basis ligt niettemin een heldere en ingenieuze architecturale opzet. Bepalend voor het ontwerp zijn de theaterzaal en de repetitieruimte, die als twee zwarte dozen het maximaal beschikbare oppervlak en volume van de al bij al kleine bouwenveloppe innemen. Dat was noodzakelijk aangezien de gemeentelijke bouwvoorschriften vereisten dat het ontwerp strikt binnen de perceelsgrenzen en kroonlijsthoogte zou kleuren. De overige programmaonderdelen (onthaal, circulatie, foyer, artiestenloges, kantoren, technische ruimten…) worden onder, rond, tussen en, indien nodig, ook doorheen de theaterzaal en repetitieruimte geplooid – gewrongen waar nodig.

De gecreëerde tussenruimtes bieden het onmiddellijke, praktische voordeel als een akoestische buffer te functioneren die de zalen op natuurlijke wijze afschermt van elkaar en van het lawaai van de straat. Tegelijk speelt de complexe aaneenrijging van ruimten in op het verlangen om ruimte te creëren met een verglijdende identiteit. Elke ruimte laat variaties toe in gebruik, toegang en openheid. Hierdoor kunnen spontaan ruimtegebruik, veranderende circulatiestromen, onverwacht visueel contact en voortdurende aanwezigheid van de stedelijke omgeving ongevraagd elke bezigheid doorkruisen en kortsluiten. De ruimte in het theater dagen zo de gebruikers – zowel theatermaker als consument – telkens opnieuw uit en bemiddelen hun sociale interactie.

Opvallend is bijvoorbeeld dat de repetitieruimte is opgetild boven het straatniveau. Deze ingreep is bijzonder praktisch omdat nu ook daglicht doordringt en inkijk mogelijk is naar het ondergrondse onthaal, dat door zijn rijkelijke afmetingen ook gebruikt kan worden voor flankerende programmering. Tegelijk kan de repetitieruimte benut worden als een bühne gericht naar de straat of, omgekeerd, het stedelijke gebeuren benut worden als onaangepast theaterdecor.

Ook de locatie van de artiestenloges springt in het oog door ze pontificaal boven de toneelvloer van de grote theaterzaal te plaatsen. Door de loges bovendien te voorzien van een zaalbreed venster ontstaat een ongebruikelijke visuele interactie met het publiek en zelfs de mogelijkheid om de loges te benutten als een uitbreiding van het podium. Een telescopische tribune maakt het bovendien mogelijk om de hele zaal als toneelvloer op te vatten, terwijl vensteropeningen op de bruggen daglicht laten doordringen in de theaterzaal.

De verglijdende identiteit keert ten slotte terug op allerlei onverwachte plaatsen. In de scenografie van de toilettenruimte, die de gebruiker een ruime interpretatiemogelijkheid laat in de verdeling van zowel publieke en private toiletten als heren- en damestoiletten. In de doorkijk van de vergaderruimte naar de repetitieruimte, die inspeelt op het verlangen van de artistieke leider om heimelijk de repetities te volgen, maar die ook toelaat om de ruimte te benutten als regiekamer tijdens voorstellingen in de repetitieruimte. Klap op de vuurpijl vormt de centrale, dubbele trappenpartij die niet alleen de zalen op verschillende hoogtes toegankelijk maakt, maar ook voorzien werd van draaiende spiegelwanden, waardoor het mogelijk wordt de circulatiestroom dynamisch te regisseren naargelang de noden van de dag.

Opmerkelijk is dat het theatergebouw voortdurend experimenteel gebruik stimuleert zonder een klassieke setting uit te sluiten. Zo blijft in de repetitieruimte de mogelijkheid bestaan om desgewenst met een schuifwand de rust te herstellen en zo elke interferentie van straat uit te sluiten. Ook in de grote theaterzaal biedt een gordijn de mogelijkheid om de artiestenloge af te schermen en uitdrukkelijk niet in te gaan op de uitdagende architectuur. Hiermee introduceert Bronks een interessante omkering in theaterbouw. Gewoonlijk botsen theatermakers op de beperkingen van de ruimtelijke infrastructuur als zij op zoek gaan naar alternatieve omgangsvormen met het publiek. Bronks laat de theatermaker een heuse strijd leveren met het gebouw om terug een traditionele toneelopstelling te organiseren en ongewenste meerduidigheid te elimineren.

De uitdaging waarmee het ontwerp de gebruiker confronteert, zet zich door in de specifieke plaats die een theater gebruikelijk inneemt binnen het maatschappelijke gebeuren. Gewoonlijk isoleert een theater zijn gebruikers en bezoekers van het bruisende stadsleven om in alle rust en concentratie de esthetische verlangens te bevredigen. Bronks frustreert dergelijke gemakszuchtige relatie tussen theatermaker en consument met een ruimtelijke scenografie die meerduidige interactie opzoekt in plaats van uit de weg gaat. Sprekend hiervoor is de grote glasgevel die op vier niveaus (onthaal, repetitieruimte, balkon en café) garant staat voor de nauwe betrokkenheid tussen de creatieve theatermakers en de multiculturele buurt. De strategische, ietwat excentrieke aanwezigheid van het theater draagt zo bij aan de opwaardering van de Varkensmarkt – een plein dat vandaag verkommert als een te breed uitgevallen straat – en de woonomgeving rondom.

Architectuur in Vlaanderen – Jaarboek editie 2010 is een uitgave van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi)

Categories: Architecture

Type: Article

Share: