Pleidooi voor een oncreatieve stad – over Rotterdam (MetropolisM versie)

BAVO


01/02/2007, MetropolisM

Het concept van de creatieve stad, de directieve voor elke ambitieus gemeente in Nederland, leidt niet noodzakelijk naar een meer welvarende toekomst voor kunst en cultuur. Het collectief BAVO beschrijft de stedelijke politiek van Rotterdam als een vorm van zelf-kolonisatie opgedrongen aan al haar inwoners. Ze schetsen een beeld van de stad die van zichzelf vervreemd door een onstuitbare creatieve appetijt.

1. Rotterdam creatieve hoofdstad: een geval van zelfkolonisatie.

Om mee te dingen naar de titel ‘Creatieve hoofdstad van Nederland’ trekt Rotterdam op dit moment alle registers open. Hele wijken gaan met dit doel op de schop, pilotprojecten worden gelanceerd, internationale evenementen gehost, toptalenten aangetrokken, et cetera. Houdt dit soms verband met de oproep van J.P. Balkenende om een nieuwe VOC-mentaliteit te kweken? Het gedoe rond creatieve steden toont in ieder geval aan hoe een hernieuwde kolonisatiedrift zich vandaag manifesteert ten aanzien van het eigen stedelijke gebied: ‘oncreatieve’ bevolkingsgroepen worden uit hun vertrouwde omgeving gezet, en nieuwe ‘creatieve’ bevolkingsgroepen worden geïmporteerd, met het oog op hun voorbeeldfunctie. Elke wijk wordt gezien als een potentiële bron van creativiteit die maximaal moet worden benut. In het creatieve tijdperk is het dus de Nederlandse stad die zichzelf koloniseert.

Het mag duidelijk zijn dat de huidige make-over van een stad als Rotterdam tot een creatieve topstad vooral schatplichtig is aan een neoliberaal discours en competitiemodel. Eén van de moeilijkheden die we daarbij tegenkomen is het feit dat het huidige project van een creatieve stad het hele maatschappelijke speelveld in zich probeert op te nemen. Niet alleen integreert zij economische spelers – door middel van publiekprivate samenwerkingsverbanden –, ze absorbeert tevens de sociaalactivistische en culturele wereld door zich te bedienen van termen als creativiteit, bottom-up, participatie, authenticiteit, zelforganisatie, enzovoorts.

Volgens ons kan de ‘heilige alliantie’ rond het project van de creatieve stad alleen ontmanteld worden door de tegenstrijdigheden bloot te leggen die zij produceert. Op die manier kunnen de onuitgesproken randvoorwaarden van de huidige hype rond de creatieve stad aan het licht komen – namelijk dat het gaat om het aftappen van een specifiek soort creativiteit, van bepaalde groepen in de samenleving, voor bepaalde doeleinden. Wij willen hier de vraag stellen hoe we kunnen nadenken over een alternatieve invulling van ‘creativiteit’, een die het stempel ‘progressief’ waard is.

2. Terwijl Rotterdam de zelfredzaamheid predikt, pampert zij de creatieve klasse.

Een eerste tegenstrijdigheid die creatieve steden niet kunnen verdoezelen is de combinatie van een filosofie van ‘niets doen’, en een vernieuwd geloof in de ideologie van maakbaarheid. Neem bijvoorbeeld de manier waarop Rotterdam met een project als ‘Groeibriljanten’ het initiatief compleet uit handen geeft. Voor dit project wordt elke Rotterdammer opgeroepen de ‘kansen’ in zijn buurt te inventariseren en in de vorm van een project verkiesbaar te stellen. Voor het meest populaire project, zoals het Deliplein op Katendrecht, wordt dan een aardige pot subsidiegeld gereserveerd die de betrokken, lokale partners (onder andere het ontwikkelingsbedrijf Rotterdam, deelgemeente, lokale kunstenaars) in staat moeten stellen om deze kansen echt te verzilveren. Daarnaast stelt de gemeente Rotterdam ook voor een schijntje leegstaande panden ter beschikking aan tijdelijke, culturele initiatieven. Organisaties als WORM@VOC of Now & Wow namen hun intrek in oude pakhuizen onder de voorwaarde dat men buurtactiviteiten faciliteert. Kortom, de gemeente Rotterdam laat de invulling van de stedelijke ontwikkeling meer en meer over aan spontane, creatieve initiatieven die zich van onderaf aandienen.

Wat deze ver doorgevoerde ‘ruimtelijke ontvoogding’ dubieus maakt, is dat ze plaatsvindt in de marge van een eenduidige, stedelijke politiek, waarin de Rotterdamse overheid met kant-en-klare totaaloplossingen hele stukken van de stad aanpakt. Als onderdeel van het project ‘De Dichterlijke Vrijheid’ bijvoorbeeld, schonk de gemeente Rotterdam in de zogenaamde probleembuurt Spangen een heel bouwblok, het Wallisblok, aan jonge, creatieve mensen. Dit geschenk aan de nieuwbakken huiseigenaars – van wie verwacht wordt dat zij hun pand opknappen en zo een nieuw élan brengen in de buurt – werd mogelijk na eerst de huidige eigenaars uit te kopen. Een ander voorbeeld is het nieuwe Lloydkwartier dat momenteel in aanbouw is. Dit moet een woon/werkoase worden met circa tweeduizend woningen in het duurdere segment van de woonmarkt, alsook de toekomstige thuishaven van een nog te importeren filmindustrie, waaraan stadsmanagers de magische kracht toekennen om de verloren balans in het getergde Delfshaven te herstellen.

Deze eenzijdige inzet op de creatieve klasse mag dan wel verantwoord worden onder het mom van een herstel van een gelijke verdeling van inkomensgroepen in Rotterdam, de praktijk toont aan dat het tegenovergestelde het geval is. Alle projecten voorzien stuk voor stuk in exclusieve woonwerkmilieus voor specifieke doelgroepen zoals kunstenaars, ontwerpers, ICT-nerds, managers, yuppen en zelfs CEO’s – elk naar eigen maat en smaak. Het nieuwe Lloydkwartier zal ongetwijfeld het sociaaleconomische profiel van Delfshaven statistisch opkrikken, dit neemt niet weg dat het een monolithische enclave voor de bevoorrechte creatieve klasse blijft, naast de sinds jaar en dag geïsoleerde volksbuurt Schiemond. Op een ander niveau geldt hetzelfde voor het project ‘De Dichterlijke Vrijheid’. Ook al differentieert dit initiatief het inkomensprofiel van de wijk Spangen, het beperkt zich uiteindelijk strikt tot het Wallisblok en is zo in de markt gezet, dat het slechts aantrekkelijk is voor een specifiek segment qua beroep, inkomen en sociale situatie.

Als er gesproken wordt over een doorstart van Rotterdam als creatieve hoofdstad van Nederland, dan mogen we dus niet vergeten dat de aandacht hierbij eenzijdig uitgaat naar specifieke, uitverkoren vormen van creativiteit. Hiertoe worden groepen, die bovendien doorgaans geen begeleiding behoeven, met aangename en voordelige woon/werkoases bevoordeeld, terwijl de meerderheid voor de bevrediging van hun woonverlangens wordt uitgeleverd aan de markt of een sterk afgeslankt sociaal woningbeleid . Men kan er dan ook moeilijk omheen dat al het trendy gebabbel over het nut en voordeel van creatieve, zelfredzame burgers voor de stad, moet verbergen dat men in de stedelijke praktijk opnieuw uitgaat van een stad ‘met twee snelheden’. Anders gezegd, onder het mom van de creatieve stad wordt een planmodel aanvaardbaar gemaakt dat uitgaat van een klassenverschil.

3. Hoe meer Rotterdam authenticiteit wil uitstralen, hoe meer ze van zichzelf vervreemdt.

Een tweede tegenstrijdigheid inherent aan de creatieve revolutie van Rotterdam, is het feit dat de gepredikte zelfverwerkelijking in feite leidt tot een soort vervreemding. Rotterdam wordt in haar drang te scoren als creatieve stad al enkele jaren overspoeld door een heuse wildgroei aan stadsevenementen. Het begon met het Europese voetbalkampioenschap en Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001 en kreeg een vervolg in allerhande dagevenementen zoals de Volvo Ocean Race, Heineken Dance Parade, Fortis Marathon Rotterdam, Bavaria City Racing en ga zo maar door. Het succes van deze evenementen moet in de eerste plaats beoordeeld worden tegen de achtergrond van de ambitie van Rotterdam om de lokale economie te stimuleren. Dat zou Rotterdam minder afhankelijk maken van de havenactiviteiten die vooral gebaseerd zijn op globale kapitaal- en goederenstromen: een onzekere inkomstenbron. Deze evenementen lijken echter vooral een averechts effect te hebben. Immers, de creatieve wonderformules die Rotterdam uit haar hoed tovert, komen niet voort uit haar eigen potentieel, maar zijn nageaapt van andere wereldsteden. Op die manier stellen dergelijke evenementen Rotterdam niet zozeer in staat om zich gedeeltelijk los te koppelen van globale processen, maar herbevestigt en intensiveert het de stedelijke competitie waarin Rotterdam verwikkeld is.

Meer hoopgevende initiatieven zijn evenementen als het Zomercarnaval, waarin Rotterdam de aanwezigheid in haar stad van grote groepen inwoners van Antilliaanse afkomst aanboort. We kunnen ook denken aan de manier waarop ze werkt aan het versterken van het multiculturele potentieel in haar volkswijken als iets ‘positiefs’. Zo krijgen de ondernemers van allochtone afkomst op de Kruiskade en Middellandstraat bijvoorbeeld al enige jaren ondersteuning en begeleiding van de gemeente om hun multiculturele imago uit te spelen als een toegevoegde waarde – eerder dan een negatief stigma. Kortom, het Rotterdamse ontwikkelingsbedrijf heeft authenticiteit hoog in het vaandel staan: elke subcultuur krijgt alle ruimte om zichzelf te blijven en hiermee zijn eigen, vaste stekje te veroveren op het stedelijke toneel.

Deze nadruk van de gemeente op authenticiteit en identiteit lijkt vooral gemotiveerd te zijn om datgene wat door haar concurrenten beschouwd wordt als iets negatiefs – de in groten getale aanwezige burgers van allochtone afkomst – naar voren te halen als iets speciaals, dat een voorsprong geeft in de stedelijke wedloop. De Rotterdammers van allochtone afkomst worden op die manier neergezet als ‘het multiculturele kapitaal’. Dit betekent echter ook dat de begeleiding van multiculturele ondernemers in Rotterdam niet zomaar een teken van onbaatzuchtigheid is van de kant van de gemeente. Eerder is er sprake van een ‘gedesinteresseerde interesse’. Van de multiculturele ondernemers wordt vooral verwacht dat zij zich authentiek gedragen, zoniet dan worden zij daarbij een handje geholpen.

We stuiten hier op een paradoxale situatie: doordat Rotterdam zo krampachtig authenticiteit probeert na te streven, en deze zelfs denkt te kunnen creëren, staat Rotterdam verder van zichzelf af dan nooit. We denken dan niet alleen aan de multiculturele, maar ook aan de creatieve ondernemers van Rotterdam. Hoe meer deze subculturen ingaan op de oproep vooral authentiek te zijn en te blijven, hoe meer ze verstrikt raken in de identiteitspolitiek die Rotterdam vandaag ongenadig uitspeelt. Terwijl de gemeente Rotterdam graag wil doen geloven dat zij met al deze activiteiten de stad ‘teruggeeft’ aan de Rotterdammers, mag het duidelijk zijn dat het in feite vooral om een oppervlakkig engagement met de stad gaat.

4. In Rotterdam is iedereen creatief kapitaal, alleen sommigen méér dan anderen.

Binnen de creatieve theorie bestaat een consensus over de negatieve correlatie tussen creativiteit en oude arbeidersbuurten. Richard Florida, de icoon van het creatieve stadconcept, toont via statistieken aan dat oude arbeiderssteden het traditioneel slecht doen als creatieve milieus, omdat er te veel lokale weerstand zou bestaan tegen de nieuwe vormen van creativiteit. Met name het gebrek aan tolerantie ten aanzien van kunstenaars, homo’s en bohémiens – een tolerantie die naast ‘talent’ en ‘technologie’ deel uitmaakt van de zogenaamde ‘drie T’s’ die Florida als essentieel ziet voor een creatieve stad – zou een flinke rem zetten op de vlotte doorstroming van een stad naar het creatieve tijdperk. Steden die traditioneel grote groepen arbeiders herbergen, zoals Rotterdam, hebben er, althans binnen Florida’s scenario, baat bij om zo snel mogelijk haar oude, hechte arbeiderswijken open te breken en er de bevolkingssamenstelling te veranderen.

Het laatste verklaart de verbetenheid waarmee een stad als Rotterdam de afgelopen jaren flink huishield in haar zogenaamde probleembuurten, zoals Hoogvliet, Spangen en – als alles naar plan verloopt – binnenkort ook Nieuw Crooswijk. Een drievoudige strategie wordt hierbij gehanteerd: het injecteren van ruimdenkende groepen (zoals gebeurd is in het eerder vermelde Wallisblok in Rotterdam), het op gang brengen van doorstroming en sociale mobiliteit binnen de buurt (door succesvolle bewoners voorrang te geven op het verwerven van een woning in de buurt, door succesvolle ondernemers te belonen met managementtrainingen en coachingprogramma’s) en ten slotte het verspreiden van de minder gewenste groepen over het hele stedelijke territorium (binnen stedelijke diensten spreekt men in dit verband van ‘huisvestingsnomaden’: kwetsbare groepen die, naarmate de herstructurering verder oprukt, van de ene naar de andere probleembuurt verscheept worden).

Dat deze zelfkolonisatie niet op hevig verzet stuit, is mogelijk door het te brengen als onderdeel van Rotterdams make-over tot creatieve stad, wat zelfs wordt geponeerd als de enige manier voor Rotterdam om de broek te kunnen ophouden in de nieuwe globale constellatie van stadsregio’s. De herstructureringen van volksbuurten en de bedenkelijke tactieken die daarbij worden toegepast, worden dus gepresenteerd als iets dat, hoe pijnlijk ook voor sommige groepen, niettemin onvermijdelijk is om Rotterdam op een competitieve en duurzame manier in de markt te zetten. Het mag duidelijk zijn dat creativiteit op deze manier nog moeilijk kan doorgaan als een algemeen menselijke waarde, zoals de aanhangers van de creatieve stad ons graag doen geloven. Eerder wordt creativiteit hier aangewend om de stekker te trekken uit elke discussie over de sociale prijs die Rotterdam betaalt voor haar ambitie om een stekje te veroveren op het kampioenenbal van steden.

Tegen deze achtergrond is het helemaal niet verbazend dat Rotterdam sinds haar doorstart als ‘creatieve hoofdstad van Nederland’ tevens de drager is van de meer bedenkelijke titel ‘hoofdstad van populisme’, en dat bevolkingsgroepen in toenemende mate tegenover elkaar komen te staan. We moeten het populistische ongenoegen onder de Rotterdamse bevolking over alle creatieve initiatieven die Rotterdam teisteren uiterst serieus te nemen, eerder dan het af te wimpelen als een opleving van reactionaire opvattingen – een zogenaamde angst voor het Andere, het onconventionele, enzovoorts. Het moet integendeel gezien worden als een gerechtvaardigd verzet tegen de manier waarop het creatieve hoofdstad-beleid over de hoofden van de grootste groep Rotterdammers heen bekokstooft wordt en voor hen volledig ontoegankelijk blijft.

5. Een creatief Rotterdam? Nee, bedankt.

Hoe moet een progressief project zich verhouden tot deze creatieve klassenstrijd? Gezien het gemak waarmee zowel populistische als progressieve partijen verstrikt raken in de manipulaties rond het door en door neoliberale project van ‘Rotterdam creatieve stad’, lijkt het ons meer aangewezen om te pleiten voor een oncreatieve stad. Een dergelijke beweging zal uiteraard op heftige verontwaardiging stuiten en vast en zeker weggezet worden als onconstructief, te negatief, et cetera. Niettemin betogen wij dat alleen hiermee een weerwoord geboden kan worden aan het ideologische offensief, waarmee de creatieve stad vandaag wordt gepusht als een ideaalmodel dat je moet nastreven om allerlei sociale en economische stedelijke implosies te voorkomen. Elke discussie over een alternatieve, meer democratische en niet economisch gestuurde invulling van een creatieve stad wordt hiermee op arrogante wijze onmogelijk gemaakt. Hoe zit het immers met de creativiteit van de vele, halflegale Oost-Europese arbeiders die de bouw van onze woon/werkoases betaalbaar houden; de creativiteit van grote groepen jonge Nederlanders van Antilliaanse afkomst die elke ontplooiing ontzegd wordt en van de modale Rotterdammer die in de positie van passieve consument gedrongen wordt? Onze stelling is dat alleen een radicaal afwijzende geste tegenover de huidige, neoliberale manipulatie van creativiteit ruimte schept voor een progressieve verbeelding van Rotterdam als creatieve stad.

Dit artikel is een bewerking van het essay ‘Pleidooi voor een oncreatieve stad’, dat een onderdeel vormde van Neo-Beginners, een tentoonstelling van Reinaart Vanhoe in TENT. Centrum voor Beeldende Kunst Rotterdam, september 2006.

Gepubliceerd in: Metropolis M, 28 (1), pp. 27-31

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: