Article

Pleidooi voor een hoopgevende zetel

Gideon Boie


02/09/2019, De Architect

Image: Kurt Deruyter 

Een ex-patiënt reageerde eens op de plastieken zetel in de prikkelarme kamer (PAK) van de acute opnameafdeling Sint-Jan in PZ Sint Annendael Diest met de woorden: “de boodschap van de zetel is: we hebben hem staan in de kelder, zet het maar in de PAK.” De woorden van de vrouw bleven hangen, omdat de PAK uiteraard met de beste bedoelingen van de wereld ingericht was. Zij concludeerde: 'gezellig zal het nooit worden in het ziekenhuis, maar laat het dan tenminste hoopgevend zijn.'

De ervaringsdeskundige doorprikte de gangbare ideologie in de wereld van de geestelijke gezondheidszorg: de architectuur van een psychiatrisch ziekenhuis mag niet al te gezellig mag zijn, omdat patiënten zich anders zouden nestelen. Een typische kille, klinische architectuur van het ziekenhuis wordt zo vergoelijkt als prikkel om psychiatrische patiënten te doen verlangen naar de eigen thuissituatie. De theorie is naar mijn weten nog niet bewezen, maar bij ideologie doet dat er niet toe.

De vraag is of de keuze van de zetel louter gevolg is van een ideologische keuze. Ik denk het niet. De keuze kan evengoed geïnformeerd zijn vanuit de slechte smaak van de aankoopdienst – al gaat het in dat geval niet eens om een esthetisch oordeel. We spreken wellicht over een gebeurlijke aankoop, bij een vaste meubelleverancier, deel van een bulkaankoop, besteld met het oog op hygiëne, zonder enig kwaad opzet.

Als de zetel een esthetische keuze vooronderstelt, dan kijken we beter naar de architect. Een wandeling doorheen een ziekenhuis volstaat om te begrijpen dat architecten niet altijd garant staan voor goede smaak. De architectenkantoren actief in de zorgsector kan ik op één hand tellen. Ze hebben de mond vol van ‘healing environment’, maar het ontwerp gebeurt aan de lopende band, grondplannetjes worden gekopieerd, meubilair blijft ondoordacht.

Getuigenissen van patiënten verhalen over de verpletterende impact van de architectuur van ziekenhuis, het heelt helemaal niets, het staat synoniem aan ontmenselijking en vernedering. Een patiënt vertelde eens dat het grootste probleem van de opname ligt in de geraniums thuis. Ze kon het niet begrijpen waarom het niet toegelaten werd om haar planten mee te brengen naar het ziekenhuis en zei: “een beetje gezelligheid zal mij hier geen dag langer houden.”

De zetel is een elementair deeltje van het tweede trauma van de ziekenhuisopname. Een ex-patiënt reageerde furieus in een discussie over de architectuur van de psychoseafdeling: “de bakstenen muren komen op je af, maar televisie kijken in een plastieken zetel geeft de genadeslag.” Een andere patiënt in de gesloten opnameafdeling – het was een heel viriele figuur – zei: “na 1,5 uur televisie kijken, heb ik het wel gehad in die plastieken zetel, dan ga ik op mijn bed liggen.”

Er zijn ook patiënten voor wie het allemaal niet uitmaakt. In tijden van crisis heeft men geen boodschap aan vormgeving, meubilair, details. Een patiënt vertelde dat ze tijdens haar verblijf in de afzonderingskamer slechts één ding verlangde: een fles melk. De rest kon haar gestolen worden. Eten? Doe je op bed. Hygiëne? Even wachten. Tuin? Niet nodig. Roken? Nu even niet. Familie? Daarvoor is geen plaats. Het enige wat telt, is zo snel mogelijk nuchter worden en de deur achter je dicht klappen.

Het ziekenhuis is ook een arbeidsplek. Ook hier blijkt uit getuigenissen dat de duivel in de details zit. In een gesloten opnameafdeling sprak het diensthoofd over de enge donkere sluis die toegang biedt tot de afdeling, een onmogelijke plek waar hij in een fractie van een seconde de beslissing moet maken of de patiënt naar de afzonderingskamer of naar de afdeling gaat.

De zware verantwoordelijkheid spiegelde zich in de lichtzinnigheid waarmee elke deur uitgerust was met magnetische sluiting: “je vraagt een patiënt tot rust te komen en dan slaat elke deur die je doorgaat met een zware klap in de magneten.” Zijn droom was om de sluis om te bouwen tot een open, lichte ontvangstplek, met een zetel om even tot rust te komen – met best ook een zitbank in een groene buitenruimte om een sigaret te roken.

Een arts in een ander ziekenhuis vertelde hoe de idee van ‘verbinding’ centraal staat in de afzonderingseenheid, maar eenmaal in de afzonderingskamer aangekomen er slechts twee opties zijn: ofwel plaats nemen op de bedrand (alsof je een kind goede nacht wenst) ofwel blijven rechtstaan (en over de liggende patiënt heen buigen). “Dat is niet de manier waarop ik als arts wil omgaan met patiënten” – zei de arts met enige verontwaardiging.

De litanie van de plastieken zetel kan nog wel even doorgaan. De vraag die mij achtervolgt is hoe een ‘hoopgevende zetel’ eruit zou zien. Tips welkom. De vraag is dringend, want heel wat ziekenhuizen denken eraan om de onthaalsluis uit te breiden en de afzonderingskamer te herdenken. Nemen we een zetel waarvan we nog eentje in de kelder staat? Of gaan we toch maar op de beddenrand zitten?

Dit artikel is een uitwerking van een voordracht binnen de VUB Crosstalks ‘Vormen van Vertrouwen’ in het tuinpaviljoen van Huis Perrekes, 9 november 2018.

Gepubliceerd in De Architect 2019 (3), pp. 122-123

 

Tags: Psychiatry

Categories: Architecture

Type: Article

Share: