Article

Napoleon leeft in Vlaanderen

Gideon Boie


2019, Vlaams Architectuurinstituut

Bij de plechtige presentatie van het Architectuurboek Vlaanderen N°13 — Dit is een mosterdfabriek op een zonovergoten Biënnale van Venetië haalde architect Jan Vermeulen, lid van het redactieteam, opgelucht adem: de projectdocumentatie was in het boek terug naar de voorgrond gebracht. De balans tussen praktijk en kritiek was immers flink zoek geraakt in de voorgaande edities, was de gedachte.

In het Architectuurboek 12 waren de projecten eerder illustraties bij moeilijke argumenten in ellenlange essays. In de tijd van de eerste Architectuurboeken (toen heetten ze nog Jaarboek) kreeg de lezer eerst een reeks essays voor de kiezen die van leer trokken tegen de ruimtelijke verrommeling in Vlaanderen, waarna een hele reeks goede praktijkvoorbeelden de revue passeerden.

Het telkens opnieuw afwegen van kritiek en praktijk in het Architectuurboek brengt ons op een oorspronkelijke scheiding in de architectuurcultuur van Vlaanderen. De architectuur mag zich dan wel met goede reden presenteren als een culturele zaak, ze blijft ingebed in een bouwpraktijk waarin zelfstandige architecten de dienst uitmaken. In deze context wordt kritiek al gauw geëvacueerd naar een later stadium. Als het gebouw eenmaal gerealiseerd is, verschijnen de critici ten tonele om de goede architectuurpraktijken te identificeren, beschrijven en becommentariëren. Hiermee lijkt de Vlaamse architectuurcultuur het adagium van Napoleon te onderschrijven: “eerst aanvallen en dan zien we wel”.

Architectuurkritiek is echter veel meer dan een nagedachte. In de werking van de Vlaamse Bouwmeester zien we hoe kritiek een functie heeft in de wegbereiding van wat het ‘goede opdrachtgeverschap’ heet. In de beginjaren lag de nadruk op de Open Oproep, waarmee publieke opdrachtgevers advies kregen bij de projectdefinitie en architectenkeuze. Later kwamen de Pilootprojecten erbij, een verkennende ontwerppraktijk waarbij ontwerpuitdagingen gedefinieerd werden binnen de meest uiteenlopende beleidsdomeinen: zorg, scholen, brownfields, landbouw, wonen en nog veel meer. In dezelfde lijn heeft huidige Bouwmeester Leo Van Broeck zowat het hele klimaat verheven tot ontwerpuitdaging nummer één.

Ook de kritische functie van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) kunnen we niet zomaar reduceren tot postproductie. De publicatie van een Architectuurboek zou op droge aarde vallen als de gepubliceerde werken niet spontaan herkend worden door het publiek en spontaan over de tongen gaan. Het VAi heeft daarom een belangrijke hand in de selectie van goede praktijkvoorbeelden, promotie van oeuvres en conservatie van archieven. Het Architectuurboek is hiervoor een geknipt instrument: het publiceert misschien wel de opvallendste producties van de voorbije twee jaar, maar vormt tegelijk de mogelijkheidsvoorwaarde van die florerende praktijk. Blijft wel een opvallende constante dat de architectuurkritiek in Vlaanderen doorgaans een lyrisch discours aanheft. Het optimisme is begrijpelijk in het licht van de opbouw van een betekenisvol klimaat voor architectuur, waarbij goede praktijkvoorbeelden centraal staan — zoals in het Architectuurboek. Het optimisme is ook begrijpelijk bij het agenderen van ontwerpuitdagingen, waarbij architectuurpraktijk naar voren geschoven wordt als probleemoplossend vehikel — zoals in de Pilootprojecten van de Bouwmeester. Wat er ook van zij: in de Vlaamse architectuurkritiek valt geen hoog woord te noteren onder de wapenbroeders. De pijlen worden vooral op de buitenwacht gericht, de rangen sluiten zich als de kwaliteit in gevaar komt.

Vraag is of kritiek en vriendelijkheid zo gemakkelijk gepaard gaan. De verbouwing van het AfricaMuseum in Tervuren door architect Stéphane Beel werd in De Standaard gefileerd door Lieven De Cauter. Hij beschreef de holle leegheid van het nieuwe, ondergrondse entreegebouw als een spiegel van de horror vacui in de historische tentoonstellingszalen, die “vol gestouwd zijn als een winkel in de Marollen”. In De Witte Raaf schreef Maarten Liefooghe een uitgebreid antwoord op de genadeloze kritiek. Onder de titel Vijf bedenkingen bij de architectuur van het AfricaMuseum schetst hij context, brengt hij nuance aan, formuleert hij vragen, pleit hij voor tijd enzovoort. Allemaal interessant, maar uiteindelijk lijkt het weerwoord vooral een amechtige poging om het werk van de Meester te redden. Een kritische bedenking verdraagt geen vriendelijkheid. In het vernieuwde AfricaMuseum staat de hedendaagse architectuur van Beel symbool voor het postkoloniale trauma der Belgen. Meer valt er niet over te zeggen.

Vraag is ook of vriendelijkheid in alle gevallen de juiste kritische strategie is. In 1988 organiseerde Stichting Architectuurmuseum de manifestatie Architectuur als Buur. De inzet was het tij te keren van wat Jo Lefebure ooit gekscherend “de Derde Wereldoorlog” in Gent noemde: de kaalslag van het patrimonium door projectontwikkelaars. Hierbinnen was geen plaats voor bedenkingen die zweven in de lucht. In de catalogus ontbreken opvallend genoeg de lovende woorden bij het hoofdstuk met goede praktijkvoorbeelden. De documentatie bestaat uit louter beeld. Architectuur als Buur was een aanklacht. De manifestatie heeft de kiemen gelegd voor de latere werking van de Cel Architectuur. Zonder de manifestatie was de nieuwe functie van stadsbouwmeester in Gent volstrekt ondenkbaar — een time lapse van 25 jaar! Zou het kunnen dat ook hier de geest van Napoleon rondwaart? Een architectuurcultuur bouw je niet (alleen) op met witte handschoentjes. De ontwerppraktijk is niet van nature kritisch. Daar moet al eens voor gevochten worden.

 

 

Column gepubliceerd in: Gideon Boie en Sofie De Caigny (eds.), ‘Architectuurcultuur in Vlaanderen’, magazine gepubliceerd door het Vlaams Architectuurinstituut, Antwerpen 2019.

Categories: Architecture

Type: Article

Share: