Interventie op begraafplaats – Wim Cuyvers in Rozebeke

BAVO


2008, VAi

Op de begraafplaats van Rozebeke, een deelgemeente van Zwalm, zette Wim Cuyvers van de ene dag op de andere een twintigtal tenten op, binnen het patroon van de omliggende grafzerken en met groot respect voor de laatste rustplaatsen. Deze interventie, die plaatsvond in het kader van ‘Kunst en Zwalm 2007’, nam de opdracht van de organisatoren om de grenzen van het artistieke te overstijgen en de relaties van kunst met de lokale sociale, economische en geografische situatie te onderzoeken, uiterst serieus.

Download PDF

De tenten bieden een onderkomen aan de toevallige voorbijganger in wat Cuyvers aanduidt als misschien wel de laatste publieke ruimte in het stedelijke landschap zoals we die in België kennen. De begraafplaats is één van die zeldzame plaatsen die zich vandaag weten te onttrekken aan de gebruikelijke ruimteclaims die voortkomen uit private belangen. Logisch, want als ‘ruimte van het verlies’ – verlies van tijd, macht, middelen – valt er op de begraafplaats niets te winnen. Precies die zeldzame afwezigheid van economische druk maakt van de begraafplaats de plaats bij uitstek waar een communicatievorm mogelijk wordt die niet gedreven is door trends of belangen, maar eerder de existentie ondervraagt. Het plaatsen van de tenten heeft als doel de functie van de begraafplaats te intensifiëren, door een ruimte vacant te stellen die in haar flinterdunne en tijdelijke karakter niet of nauwelijks toe te eigenen is.

Hoe onschuldig de interventie ook lijkt, de lokale goegemeente bleek niet bepaald opgezet met de plotse activiteiten op de begraafplaats en nog minder met de virtuele mogelijkheid om er te verblijven. De argumentatie van enkele toevallige passanten dat de extra tentruimte op de begraafplaats een prima gelegenheid bood om de nauwe grens tussen leven en dood te overdenken en zelfs in de toekomst scoutingactiviteiten te organiseren, vond geen gehoor. De interventie werd weggezet als een schending van het sacrale karakter van de begraafplaats en een schrijnend gebrek aan respect voor de zielenrust van de doden. Landelijke media pikten de lokale commotie gretig op en speelden ze al snel uit in termen van cultureel bewustzijn.

Terwijl de landelijke bewoners geen gevoel zouden hebben voor het humane, poëtische karakter van de interventie, werd Cuyvers opgevoerd als degene die in naam van de kunst niet toegaf aan de volkswil. Daarbij zag men echter over het hoofd dat Cuyvers meermaals benadrukte dat het opstellen van tenten op de begraafplaats misschien wel gebeurde in de context van een kunstbiënnale, maar verder niets met kunst van doen had. De interventie was in de eerste plaats een reflectie op de toestand van de publieke ruimte in België in het algemeen en Zwalm in het bijzonder. Die ruimte wordt bedolven onder richtingaanwijzers, snelheidsremmers, routeaanduidingen en begrenzingen allerhande. Ook een kunstparcours ontsnapt niet aan dit fenomeen.

Deze ruimtelijke choreografie van de Zwalmstreek vormde voor Cuyvers een uitvergroting van de ultieme kapitalistische visie op publieke ruimte. Het gaat dan om een conflict-, risico- en transgressieloze circulatieruimte, waarin de enige geoorloofde halte plaatsgrijpt in functie van consumptie en het binnentreden in zelfgecreëerde, privatieve detentiecentra.

Het is binnen zo’n specifieke choreografie dat de tenten op de begraafplaats een ruimte creëren waarin een mentale mogelijkheid bestaat om in Zwalm gewoon te ‘zijn’, zonder direct geleid te worden door één of andere aanwijzing. Op die manier geeft Cuyvers een eigen draai aan de bekende tentacties in Franse steden, waarmee het recht op wonen voor daklozen gevisualiseerd werd en waarin Cuyvers inspiratie vond voor zijn eigen project.

De interventie op de begraafplaats maakt duidelijk dat het vandaag de dag in de eerste plaats belangrijk is het recht te eisen zich te mogen onttrekken aan de dagelijkse dwang tot consumptie, circulatie en capsulering: het recht om te verblijven in de publieke ruimte zonder direct oogmerk. Kortom, de interventie op de begraafplaats toont – misschien wel ondanks Cuyvers – dat de publieke ruimte enkel in theorie een onaangeroerd, zuiver stukje land is, maar in de praktijk al snel het object wordt van obscure manipulatie en berekening. Deze ruimte moet dan ook met recht veroverd en verdedigd worden.

Het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 2006-2007 (editie 2008) is een uitgave van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi): http://www.vai.be/nl/hetvai/vai_publi_detail.asp?id=289

Tags: English

Categories: Architecture

Type: Article

Share: