Article

Een nieuwe culturele elite voor een nieuwe liberale kunst in Nederland

BAVO


2011, administrator

Noot vooraf

De culturele sector zoekt een nieuw elan na de frontale aanval van het rechts-liberale kabinet en de weinig doeltreffende oppositie hiertegen. De onderstaande schetst een kader waarbinnen kunstenaars zich met hernieuwde trots en gevoel van eigenwaarde de naam ‘elite’ kunnen opeisen.

Wij spreken hierbij uitdrukkelijk over ‘culturele elite’ omwille van twee redenen:

1) De culturele elite verschilt van de politieke, sociale en financiële elite aangezien het geen verheven stand betekent, maar de gehele culturele sector brandmerkt als uitschot van de samenleving.

2) De culturele elite dient in principe niet haar eigen belangen maar de maatschappelijke ontwikkelingen waarvan zij het voortouw nemen.

I Context

Liberalisering van kunst

De context waarbinnen wij vandaag met elkaar spreken over het begrip elite is niet zozeer het vermeende anti-elitaire discours van PVV, niet eens de realiteit van de cultuurbezuinigingen als zodanig, maar de liberalisering van kunst en cultuur. Deze omwenteling blijkt voor vele kunstenaars een kleine shock. Begrijpelijk, want kunst moet vandaag haar vertrouwde privileges opgeven. Kunst moet uit haar veilige plek in de linkerhand van het systeem en haar nieuwe plek ontdekken in een Nederland dat niet meer zal zijn zoals wij het nu kennen.

Gebrek aan visie bij betrokken partijen

De weerstand wordt aangewakkerd door een schrijnend gebrek aan visie (en communicatie) bij de Staatssecretaris Halbe Zijlstra in wiens persoon cultureel staatsmanschap verschraalt tot een stompzinnige kruideniersmentaliteit. Hij stond echter niet alleen. De Raad voor Cultuur wist slechts een alternatief reddingsplan uit te denken dat meer weg had van stervensbegeleiding. Terwijl de consultatierondes in de Tweede Kamer slechts een laatste rituele stap bleken – waarin de oppositie haar rol speelde – in een onafwendbare zoektocht naar een vooropgestelde geldsom.

De culturele sector bleek anderzijds ook niet in staat een ruimere visie op te dringen aan het debat. Het beperkte zich tot persoonlijke aanvallen op de Staatssecretaris en het beschimpen van zijn zogenaamd asociaal beleid. Het leek voorts gemakkelijker om het einde van de beschaving te verbeelden dan een andere manier van optreden in een gewijzigde culturele basisinfrastructuur. Intern ontsierde het culturele veld zich door een ongezien kannibalisme tussen de grote cultuurhuizen en de jongens en meisjes van de hedendaagse kunst.

Foute onliberale keuzes

De heisa liet de kernvraag onaangeroerd – of de op stapel liggende bezuinigingsronde bijdraagt aan de beoogde liberalisering van de kunst. Het valt sterk te betwijfelen. Niet doordat het culturele veld hardnekkig vasthoudt aan de verworvenheden van de oude, sociale kunst. Maar vooral door foute, onliberale keuzen van de Staatssecretaris zelf. In plaats van de uitbouw en ondersteuning van een vrije kunstmarkt bestaan vandaag de plannen voor een nieuw cultuurbeleid uit:

– Vernietigen van het cultureel ondernemings- en vestigingsklimaat (uitdunnen van de culturele basisinfrastructuur)

– Externaliseren van overheidskosten naar kunstmarkt (normaal gaat het omgekeerd)

– Schade toebrengen aan de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse kunst

– Desinvesteren in broedplaatsen en vangnetten (die goedkope arbeid organiseren)

– Terugwerpen van de hardwerkende kunstenaar op zelfredzaamheid

– Dagdromen van PPS zonder staatsgarantie en fiscale voordelen

– Voor schut zetten van lagere overheden (provinciaal en gemeentelijk)

Kortom, de Staatssecretaris hoopt vandaag een kunstmarkt te creëren op een manier die haaks staat op de liberale traditie en praktijk (in het creëren van pakweg de sportmarkt bijvoorbeeld).

II Toekomst

De vraag is hoe de liberale kunst dan wel een eerlijke kans kan krijgen in Nederland? En hoe kunst zo een bijdrage kan leveren aan een open, democratische samenleving? Twee zaken staan centraal.

Culturele basisinfrastructuur

De Staatssecretaris heeft goed begrepen dat de culturele basisinfrastructuur doorslaggevend is voor een vrije kunstmarkt. De culturele basisinfrastructuur waarborgt dat de kunstketen blijft draaien zowel op vlak van productie, verdeling als consumptie. Het bestaat hiertoe uit een wijdvertakt netwerk waarin bevoegdheden en verantwoordelijkheden verdeeld worden over het maatschappelijke krachtenveld en ook met elkaar verknoopt worden.

De overheid is verantwoordelijk voor het ontwerpen, bouwen, financieren en beheren van de culturele basisinfrastructuur – eventueel met beroep op private of publieke partners. We spreken dan over het aanleggen van snelwegen voor de kunst, organiseren van handelsmissies en kennisuitwisseling, formatie van een arbeidsmarkt en afzetmarkt, instellen aanbestedingen en winstherverdelingsmechanismen, enzovoorts. Op dit punt blijven de plannen van de Staatssecretaris in gebreke.

Aangepaste culturele subjectiviteit

De Staatssecretaris is evenzeer vergeten dat een even belangrijke overheidsopdracht ligt in het vormen van een aangepaste subjectiviteit. Het is niet genoeg om te verkondigen dat vanaf nu de producent aan het stuur zit (en extra te investeren in een vijftigtal genieën). Een culturele basisinfrastructuur zal pas werken als ze bemand wordt door gedisciplineerde arbeidskrachten: individuen die geen kans onbenut laten die de samenleving biedt op vlak van middelen, mogelijkheden, vraagstellingen en inspiratie.

Dit type kunstenaar – ondernemend en zelfredzaam – is niet zomaar een logisch resultaat dat zich vanzelf aandient als antwoord op een uitgebreid netwerk van instituties, processen en activiteiten. De subjectiviteit, als manier van denken en doen, is eerder een prerequisiet (noodzakelijke element) die het netwerk in werking zet en op de juiste manier laat functioneren. De vorming is dan ook een even belangrijke opdracht van een liberale overheid. De sleutel tot succes ligt hierbij niet in de rechtstreekse maakbaarheid, maar in het benutten van de zelfdiscipline van artistieke individuen.

III Voorstel

Debat Nieuwe Elite

Het is in de context van deze zoektocht naar een nieuwe subjectiviteit (binnen een nieuwe liberale kunst) dat de discussie over een nieuwe culturele elite vandaag relevant wordt.

De fundamentele vragen die het begrip culturele elite oproept zijn: – wie zal deze elite bevolken? En vooral, welke privileges genieten ze? En om wat precies te doen?

Het zijn de privileges van de culturele elite vandaag die op het spel staan.

Privileges van oude culturele elite

De privileges die de culturele elite in het huidige stelsel geniet zijn algemeen bekend. Ik noem er drie:

1) In de eerste plaats geniet de kunstenaar het privaat smaakoordeel.

De kunstenaar is heer en meester van het geproduceerde werk. De eigennaam van de kunstenaar wordt verbonden aan het werk. Als onderdeel van een oeuvre ontsnapt het werk de toets van publieke appreciatie. De herkenning binnen de kunstsector (commissies, bemiddelaars, media, …) is doorslaggevender in zoverre zij het individuele werk uitlichten, publiceren en opnemen als deel van een canon.

2) In de tweede plaats geniet de kunstenaar een sociaaleconomische uitzonderingspositie.

De kunstenaar krijgt eeuwige en onvoorwaardelijke bijstand. De private carrière van een kunstenaar wordt publiek ondersteund op vlak van scholing, werkplaats, podium, vraag, inspiratie, afzetmarkt, enzovoorts. De meerwaarde van het werk komt enkel de kunstenaar toe. De maatschappij ontvangt slechts onrechtstreekse return op haar investering (grondprijzen, sociale dynamiek, ICP, …)

3) Een derde en laatste privilege van kunst en cultuur is het genot van een disciplinaire autonomie.

De kunstenaar koppelt de eigen arbeid en het product ervan los van de context waarbinnen het ingebed ligt (opdracht, vraag, inspiratie, geschiedenis, …) De onafhankelijke positie stelt de kunstenaar in staat om een eigen, onconventionele blik te werpen op de complexe maatschappelijke processen waarbinnen hij intervenieert zonder deze voor eigen rekening te nemen.

Nieuwe culturele elite, nieuwe privileges

Liberale kunst vraagt een andere, nieuwe subjectpositie van de kunstenaar. De bestaande invulling van de privileges is onhoudbaar geworden. Binnen een uitgedunde culturele basisinfrastructuur is het minder gemakkelijk om terug te vallen op bemiddeling van de oude kunstinstellingen en groepsdynamieken in de sector. Er is een verminderde interesse en investering in cultuur. En, de kunstenaar moet zichzelf bloot stellen aan de publieke appreciatie van de markt.

In het volgende schets ik een suggestie van een nieuwe invulling.

1) In het privilege van het privaat smaakoordeel wordt het accent verlegd van productie naar receptie.

Niet de motieven en inspiraties van kunstenaar zijn van tel, maar wel de interpretatie en verwachtingen die het individuele publiek (de markt) koestert naar aanleiding van het kunstobject. Het kunstwerk wordt vervreemd van de kunstenaar/producent en zijn eventuele oeuvreontwikkeling of canon. Hierdoor wordt een emancipatie van de toeschouwer mogelijk die nu gedwongen wordt zich tot het werk te verhouden (niet tot de kunstenaar – die bij voorkeur naamloos opereert onder een pseudoniem, acroniem of vennootschap.)

2) In de sociaaleconomische uitzonderingspositie van de kunstenaar wordt het accent verschoven van publieke ondersteuning naar publieke waardering.

De kunstenaar mag een vrije activiteit ontplooien op basis van de culturele basisinfrastructuur die voorzien wordt en mag hiervan onvoorwaardelijk en onbeperkt alle mogelijkheden benutten. De geproduceerde artistieke arbeid wordt vergoed volgens de stelregel ‘no cure, no pay’. Dit betekent dat de vergoeding bestaat uit een rechtmatig aandeel (fair share) in de gemeenschappelijke rijkdom die het kunstwerk genereert. Hieruit volgt dat de kunstenaar ook een blijvend genotsrecht krijgt in deze gemeenschappelijke rijkdom (bijv. het recht op wonen in een opgewaardeerde buurt).

3) Binnen de disciplinaire autonomie schuift het accent van een onafhankelijke stem naar een algemeen spreekrecht.

Kunst en cultuur is een volwaardig onderdeel van het maatschappelijk gebeuren. Dit betekent dat de kunstenaar het recht bezit om vanuit het individuele artistieke discours een uitspraak te doen die algemene geldigheid beoogt – en dus het geheel van de samenleving aanbelangt. Hiermee belichaamt de kunst het humanistische ideaal van kennisvrijheid, creatievrijheid en interpretatievrijheid.

IV Slotopmerking

Liberale kunst betekent niet noodzakelijk het einde van de beschaving aangezien het afhankelijk is van de manier waarop de culturele elite haar belichaamt.

Hierbij is het goed om de basisregels van de elite in herinnering te brengen. De eerste regel is ontleend aan Michel Foucault en de volgende worden hieruit afgeleid.

– Elite claimt geen rechten, maar laat privileges gelden

– Elite krijgt geen privileges, maar verdient het

– Elite is verplicht zich te gedragen naar haar privileges

Bijdrage aan het symposium De Nieuwe Elite, 9-10 september 2011, georganiseerd door het Stedelijk Museum en De Appel onder leiding van Hendrik Folkerts en Ann Demeester.

Categories: Art

Type: Article

Share: