Article

Een les in architecturale meerwaarde

BAVO


2010, VAi

Image: Stijn Bollaert

In de Wetstraat realiseerde het architectenkantoor 51N4E de verbouwing van het hoofdkantoor van de Vlaamse christendemocratische partij CD&V. De ontwerpopdracht mag dan op het eerste gezicht weinig schokkend nieuws zijn – in de Wetstraat zijn wel meer hoofdzetels gevestigd – het resultaat is niettemin opmerkelijk. Niet in de eerste plaats om de bijzondere naamgeving, Wet89, die slechts verwijst naar straat en huisnummer en weinig uitstaans lijkt te hebben met het politieke programma dat zij huisvest.

Ook de hoogstaande vormgeving distantieert zich in eerste instantie van expliciete verwijzingen naar de ideologie en macht die zich in het kantoorpand concentreert. Bovendien is het programma van het partijhoofdkwartier uitgebreid met extra ruimte voor bevriende organisaties en vooral met een publieke eet- en drankgelegenheid: het Wereldsalon.

CD&V neemt vandaag met de renovatie van het afgeleefde en afgeschreven partijbureau aan de Wetstraat een voorbeeldige plek in binnen het nationale en Europese machtscentrum. Tegen de achtergrond van de monotone kantoorgevels die de Wetstraat rijk is en de nimmer ophoudende verkeersstroom die het dagelijks te slikken krijgt, valt Wet89 op door zijn sierlijke lichtheid en openheid. De oude, lage betonstructuur – aanvankelijk gezien als reden voor totale afbraak – bleek geen beperking voor het inrichten van stijlvolle landschapskantoren die genereus baden in het licht. Ook de anonieme en zielloze locatie van de Wetstraat – aanvankelijk gezien als reden tot verhuis – bleek toch vele mogelijkheden in zich te dragen voor het inrichten van een warme thuishaven voor de partij en unieke stedelijke zichtlocatie van waaruit het stedelijke leven kan gade geslagen worden.

In het kantoorpand werd een heldere organisatie aangebracht die geleidelijk opstijgt naar het bureau van de voorzitter op de hoogste verdieping. Bedoeling was om de geledingen van de partij leesbaar aanwezig te stellen, ook in de graad van afwerking. Op de verdieping van de voorzitter bevinden zich de bureaus van naaste medewerkers, een gezellige afgesloten wachtruimte en de statige vergaderzaal voor de partijtop. Opvallend zijn de lounge en het slaapvertrek die als een filmset opgenomen zijn in het bureau van de voorzitter. Even intrigerend is het ingenieuze draaideurcircuit dat diplomatiek topoverleg vergemakkelijkt. Onder het voorzittersniveau bevinden zich drie verdiepingen met kantoor-, vergader- en bibliotheekruimten voor de verschillende diensten en administraties. Hoewel de landschapskantoren de optimale sfeer creëren voor samenwerking en ontmoeting zorgen plafondhoge kasten voor de gepaste visuele afscheiding en glaspartijen voor de nodige akoestische afzondering. De eerste verdiepingen worden verhuurd aan bevriende organisaties.

Uitzondering op de regel is het Wereldsalon, dat op de benedenverdieping de allesbepalende ruimte is met toegang links in de voorgevel. De zichtbaarheid en toegankelijkheid van het zelfstandig gerunde ontbijt-, lunch- en theehuis laten het spontaan dienstdoen als uniek voorportaal van het hoofdkwartier. De relatief kleine oppervlakte van het café wordt gecompenseerd door een opvallende, gebogen plafondafwerking die zich uitstrekt over twee verdiepingen. Het eigenlijke onthaalloket bevindt zich ietwat verdoken rechts van het café, in het verlengde van de feloranje, bijna roodkleurende hal die toegang biedt tot de liften, trap, perszaal en achterbouw. In de achterbouw bevindt zich eveneens de ondergrondse parking en de grote bijeenkomstzaal. Zowel de persruimte als de achterbouw werden niet meegenomen in de vernieuwingsoperatie, maar enkel wat opgepoetst. Een interne passage van het Wereldsalon naar de persruimte ontspant de informele ontmoeting tussen pers en partijleden.

In alles toont Wet89 een groot bewustzijn van de maatschappelijke impact van bouwprojecten. Zo koos de opdrachtgever voor een duurzame omgang met het nauwelijks veertig jaar oude kantoorpand door de betonstructuur ondanks enkele ongemakken opnieuw te gebruiken en de gevel te renoveren. Ook is uitdrukkelijk aandacht besteed aan de rol die architectuur speelt in het bemiddelen van geijkte sociale verhoudingen. Vooral het Wereldsalon blijkt het unieke kruispunt waar personeel, mandatarissen en partijleden elkaar ongedwongen treffen en blijven hangen. Verder is het opmerkelijk dat Wet89 niet alleen profiteert van de voordelen die de locatie op de Wetstraat biedt – voornamelijk op vlak van mobiliteit, de nabijheid van instellingen en de goede zichtbaarheid – maar ook volop participeert aan het stedelijke gebeuren. Zo geeft Wet89 met het Wereldsalon ruimhartig een extra attractie terug aan de Wetstraat die goed gesmaakt wordt door de vele gebruikers uit de buurt.

De integratie van bezorgdheden die buiten de eigenlijke opdrachtenportefeuille vallen (het realiseren van de nodige kantooroppervlakte) is het vanzelfsprekende gevolg van de architectuurreflex waaruit de opdrachtgever handelt. Reeds samen met de vernieuwing van de partij en de naamsverandering schoof toenmalig voorzitter Stefaan De Clerck ook het nieuwe partijgebouw als prioriteit naar voren. Deze ambities werden overgenomen onder het voorzitterschap van Yves Leterme en gekoppeld aan de kartelvorming met de Vlaams-nationalistische partij N-VA. Het was tenslotte onder voorzitter Jo Vandeurzen dat gekozen werd voor de verbouwing in plaats van nieuwbouw. De architecturale vernieuwing van de partij werd volledig toevertrouwd aan algemeen secretaris Pieter Demeester en – op voorspraak van toenmalig Vlaams Bouwmeester bOb Van Reeth en Jan Bruggemans – het indertijd beloftevolle Brusselse architectenbureau 51N4E. De architecten werden reeds betrokken in de zoektocht naar een nieuw gebouw dat de partij dicht bij de modale Vlaming moest brengen. Eerst was een ruimte in de toen nog verloederde Ravensteingalerij in beeld, waar het idee groeide om een drankgelegenheid te integreren in het kantoorprogramma.

Als politieke partij staat CD&V niet alleen in het aanboren van architecturale kwaliteit. Zo liet ook de Franstalige socialistische partij PS zich in de vernieuwing van haar hoofdzetel (2003) bijstaan door BASE Design en het architectenkantoor Lhoas & Lhoas. Het modernistische gebouw uit 1964 naar ontwerp van Maxime Brunfaut werd extra in de rode tint gezet om nog beter dienst te doen als uithangbord van de partij. De benedenverdieping werd ook uitdrukkelijk gereorganiseerd als podium voor (pers)conferenties met rode voorzetwanden en levensgrote partijlogo’s. Als zodanig is het architecturale ontwerp van Lhoas & Lhoas uitdrukkelijk instrumenteel opgevat binnen de mediatieke belangen van de PS. In Wet89 daarentegen is de architecturale kwaliteit zelf dé primaire zorg en is de uitstraling van de partij eerder een mooi meegenomen meerwaarde. Alle ontwerpaandacht werd geïnvesteerd in de creatie van een stijlvolle werkomgeving waar de dagelijkse gebruikers zich goed voelen – niet in de vormgeving van propaganda.

Het zonder meer prioriteit geven aan de architecturale kwaliteit boven de ideologische noden en verlangens van de opdrachtgever lost de gangbare spanning op tussen de gebruikswaarde en logowaarde van een gebouw. Als te veel gezocht wordt naar de uitstraling van een gebouw, gaat dit meestal ten koste van het dagelijkse gebruik. Wet89 weet een discrepantie meesterlijk te omzeilen door de hoogwaardige gebruikskwaliteit van het gebouw zelf de aanleiding te laten zijn van de mediagenieke uitstraling. De totale afwezigheid van propaganda in de vormgeving (zoals kleur, logo’s, vaandels en goedkope slogans) blijkt bij alle gebruikers het ijs te breken. De negatieve betekenislaag die gebruikelijk aan een hoofdkwartier van een machtspartij verbonden is, verdwijnt immers in verwondering. Eerder dan een ontoegankelijk bolwerk dat de ideologische koers bewaakt en mandaten onderling verdeelt, identificeren zowel bekenden als onbekenden Wet89 als een gastvrij huis waar samenwerking centraal staat.

Het vernieuwde hoofdkwartier zoekt dus in de eerste plaats een uitstraling binnen de partijgelederen. Logisch, want het brengt voor een politieke partij veel meer op om de eigen rangen te overtuigen van haar geloofwaardigheid dan de aandacht te trekken van de anonieme en vaak verstrooide voorbijganger op straat. Architecturale kwaliteit is hiervoor een geschikt medium omdat het mensen in hun dagelijkse betrokkenheid en welbevinden voor zich wint. Dergelijke spontane identificatie is iets wat een ideologisch discours niet vermag en al helemaal niet bereikbaar is via machtsontplooiing. Op die manier zien we in Wet89 de politieke meerwaarde van zuiver architecturale ingrepen. Openheid stond voorop in de inrichting van de kantoorvloeren en de Wereldsalon moest een publieke plek worden – voor architecten vandaag twee dada’s bij uitstek.

De architecturale kwaliteit in Wet89 is dus onmogelijk zonder een opdrachtgever die in staat blijkt om boven de directe ideologische voorkeuren en stijlkenmerken uit te stijgen. Deze attitude wordt doorgaans betiteld als goed opdrachtgeverschap. Cruciaal is dat de architect de nodige armslag krijgt om de architecturale kwaliteit van het ontwerp te waarborgen. Immers, hoe meer de politieke logica in het ontwerp naar de achtergrond verdwijnt en architecturale kwaliteit op het voorplan komt, hoe meer politieke meerwaarde ontstaat. In het ontwerp van Wet89 respecteerde de opdrachtgever sterk de autonomie van de architect door de verzuchtingen van het personeel op te vangen – niet noodzakelijk te beantwoorden. Ook werd de inspraak functioneel beperkt tot een enkele bijeenkomst. Het uit de wind zetten van de architect bleek noodzakelijk om te vermijden dat partijkleuren en -logo’s in de vormgeving binnenslopen, geijkte afscheidingen de landschapskantoren verkavelden en ook het publieke Wereldsalon verwaterde tot het obligate politiek praatcafé. In het ontwerp van Wet89 combineert de opdrachtgever een bijzonder respect voor de autonomie van de architectuur met een alerte omgang voor de meerwaarden die hieruit ontstaan.

Deze voorbeeldige houding van de opdrachtgever is echter niet mogelijk zonder dat het gepaard gaat met iets wat je het goede architectschap zou kunnen noemen. Terwijl de opdrachtgever binnen het ontwerp zichzelf censureert ten voordele van de architect, is het voor de architect even noodzakelijk om gevoelig te zijn voor de impliciete randvoorwaarden en verwachtingspatronen die binnen een ontwerpopdracht overgedragen worden. 51N4E voelde de verruimingsoperatie van CD&V goed aan door de ambitie om een open huis te creëren heel letterlijk te nemen en tegelijk ook voldoende afstand te nemen van ideologisch gekleurde motivaties. De zakelijke kantoorinrichting en de toevoeging van een neutrale lunchgelegenheid speelden goed in op de zoektocht van de CD&V naar vertrouwen en geloofwaardigheid, zowel binnen de partij als voor de buitenwacht. Hoewel deze verwachtingen niet zomaar onder woorden gebracht worden in een programma van eisen, blijken ze retroactief wel essentieel deel van de wens naar een nieuw partijhoofdkwartier.

De unieke architecturale kwaliteit van Wet89 komt dus niet noodzakelijk voort uit ideologische verwantschap tussen architect en opdrachtgever – deze kwestie blijft onuitgesproken. Wat wel duidelijk is, is het wederzijdse respect voor de inherente logica’s die eigen zijn aan de architecturale dan wel politieke discipline. 51N4E profileert zich hierbij uitdrukkelijk als identiteitsverschaffer die aan de opdrachtgever een vehikel aanreikt zonder zich zorgen te maken over de manier waarop de opdrachtgever hiervan gebruikmaakt. Waar het 51N4E om draait is om de neutrale verbouwingsoperatie op te laden met een persoonlijke fascinatie voor stedelijke ruimte en veel minder de politieke winst die de opdrachtgever hieruit puurt. CD&V als opdrachtgever van zijn kant straalt een totaal vertrouwen uit in de kracht van architecturale en ruimtelijke kwaliteit. Voor de opdrachtgever levert architectuur immers een bijdrage niet zozeer in de uitbeelding van de bekende politieke identiteit, maar in het levendig houden van het broodnodige proces van vernieuwing en verruiming. Het resultaat van deze goede samenwerking zal dus nooit een slap compromis zijn – in dit geval tussen het architecturale concept en de politieke context. Wat ontstaat, is een win-winsituatie waarin opdrachtgever en architect de wederzijdse belangen en fascinaties realiseren door elkaar te prikkelen om beide binnen de eigen discipline tot het uiterste te gaan.

Gepubliceerd in: Architectuur in Vlaanderen – Jaarboek editie 2010, een uitgave van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi)

Categories: Architecture

Type: Article

Share: