De nieuwe mythe van de relatieve maakbaarheid

BAVO


01/09/2008, Open

In de strijd tegen de globale wereldorde pleit Lieven De Cauter voor een rehabilitatie van de maakbaarheid en het besef dat politieke keuzes er wel degelijk toe doen.1 En met recht. De triomftocht van de globale wereldorde wordt – althans op ideologisch vlak – mogelijk gemaakt door een apolitieke kijk op de samenleving. We zien haar als een ‘gebeuren’, een spontaan spel van tegenstrijdige krachten die voortdurend onderling kortsluiten en synergieën opzoeken.

De rol van de politiek is hierbij teruggebracht tot het louter ‘toezicht’ op het ordelijke verloop van dit spel van krachten, zonder de ambitie om deze ook te willen sturen, zoals het geval was tijdens de hoogtijdagen van de maakbare samenleving.2 Niettemin blijkt ‘maakbaarheid’ nog steeds het maatschappelijke toneel te bespelen. Het toezicht betreft immers ook het verzekeren van de essentiële randvoorwaarden van het maatschappelijke gebeuren – zoals de parlementaire democratie, mensenrechten, persvrijheid en het vrije verkeer van goederen en kapitaal, de randvoorwaarden die de ‘toezichttroepen’ van de globale wereldorde desnoods met geweld verdedigen.

Opvallend is echter dat De Cauter meteen ook een rem zet op zijn pleidooi voor een ‘repolitisering’ door onmiddellijk te spreken over een ‘relatieve’ maakbaarheid. Op het eerste gezicht is deze defensieve aanpak begrijpelijk. Opnieuw spreken van een totale maakbaarheid zou niet alleen onaanvaardbaar zijn, maar vooral ongeloofwaardig gezien de hedendaagse consensus over het oorzakelijke verband tussen maakbaarheid en totalitarisme. De maakbaarheid van de samenleving is een anathema geworden waarover een oubollig paternalistisch waas hangt. De Cauters nadruk op het relatieve is echter meer dan louter strategisch. Hij geeft hiermee uitdrukking aande meer algemene conceptuele beweging om het denken en handelen in termen van een utopie – het kader waarbinnen pogingen tot maakbaarheid steevast ondernomen werden – opnieuw aanvaardbaar te maken door haar niet langer te zien als een voorbeeld, maar als een tegenbeeld. De term utopie duidt niet langer op de verbeelding van een alternatief samenlevingsmodel als leidraad voor een politiek project. Zij wordt integendeel opgevat in termen van een ‘oneindige aanklacht’ tegen de onrechtvaardigheden eigen aan de bestaande wereldorde.3

De Cauter lijkt zelf niet te geloven in de mogelijkheid om de globale wereldorde te repolitiseren. Binnen zijn gedachtegang kunnen kritische tegenkrachten hoogstens een ethisch appel doen op de globale wereldorde om haar excessen beter te beheren – wat op de keper beschouwd ook dé grondhouding is van de ‘global governance’-beweging.4 Deze gaat er van uit dat de globale wereldordeniet onfeilbaar is, maar dat zij wel in staat is om haar tekortkomingen zelf te reguleren, zonder externe politieke bemoeienis. Verondersteld wordt dat globalisering in haar huidige, neoliberale vorm een onvermijdelijk, quasi-natuurlijk proces is, dat hoogstens vraagt om het vastleggen van bepaalde ethische (gedrags)codes. Eigen aan deze ethische codes is dat ze tot stand komen vanuit de betrokken partijen zelf. Denk aan de Nederlandse beursgenoteerde bedrijven die met de fameuze Code Tabaksblat kortgeleden hun eigen gedrag formaliseerden. Andersglobalistische ethici, zoals De Cauter, kunnen hoogstens druk uitoefenen op het bespoedigen van dit natuurlijke proces van zelfregularisatie.

Het is juist deze ultieme naturalisatie van de globale orde die bestreden moet worden. Een louter ethische tegenpositie hiertoe is ontoereikend.5 Wat nodig is, is een politieke kritiek van de globale wereldorde: elke schijn van natuurlijkheid van de globale wereldorde moet weggenomen worden door haar ‘gemaakte’ karakter kritisch te reconstrueren, alsook de laatste fragmenten bloot te leggen van utopisch denken die deze orde haar samenhang verlenen.6

De maakbaarheid van spontane initiatieven

Een goede start voor een dergelijk project is het blootleggen van het oppervlakkige karakter van de ‘demonisering van de maakbaarheid’ in onze huidige samenleving. Ook al is het vandaag verboden om te spreken in termen van maakbaarheid, het maakbaarheidsdenken wordt niettemin op grote schaal toegepast. Terecht stelt geograaf Erik Swyngedouw dat anders dan de officiële ideologie doet vermoeden, het neoliberalisme een intieme band onderhoudt met staatsinterventie.7 Niet toevallig maakte hij deze opmerking in relatie tot de ontwikkeling van de Amsterdamse Zuidas, een groot kantoor-, woon- en ontspanningscomplex dat momenteel opgetrokken wordt in het zuiden van de stad. Op officieel niveau wordt de Zuidas gepresenteerd als de spontane uitkomst van maatschappelijke processen: de vraag naar extra kantooroppervlakte, trendy woonruimte en culturele infrastructuur alsook de behoefte aan een goede bereikbaarheid. De realiteit is echter dat de Zuidas deel uitmaakt van wat het ministerie van VROM de ‘ruimtelijke hoofdstructuur’ van Nederland noemt: de verzameling van alle ruimtelijke assets die bepalend zijn voor de internationale concurrentiepositie van Nederland – en die dus angstvallig gemanaged worden op het hoogste planniveau: het Rijk.8 We stoten hiermee op de kern van de ‘relatieve maakbaarheid’ eigen aan de huidige Nederlandse samenleving. De Nederlandse samenleving wordt ook vandaag gemaakt – daar kan met de Zuidas geen twijfel over bestaan. Ze wordt alleen niet langer totaal gemaakt. De overheid intervenieert daarentegen op bepaalde plaatsen, die van strategisch belang zijn, op strategische momenten en gericht op specifieke sectoren. Deze hyperactieve rol in de ruimtelijke hoofdstructuur wordt gecompenseerd door het overige deel van de maatschappelijke organisatie zoveel mogelijk uit te besteden aan lagere bestuurlijke niveaus (provincies en gemeenten) en aan het zelfregulerende vermogen van het krachtenveld (marktpartners, maatschappelijke partijen en/of ondernemende individuen). Een tweede kenmerk van de relatieve maakbaarheid is de dissimulatie van de staatsinterventie door het betrekken van alle denkbare belanghebbenden in de ontwikkeling – economische, maatschappelijke én culturele spelers – zodat zelfs de Zuidas een quasi-spontaan karakter krijgt.

Ook op een lager schaalniveau stoten we op eenzelfde politiek van relatieve maakbaarheid. Elke zichzelf respecterende Nederlandse stad is vandaag druk doende met het maken van een creatieve schaalsprong. Gemeentelijke overheden brengen koortsachtig creatieve hotspots in kaart, saneren locaties voor creatieve broedplaatsen, ontwerpen beleid dat is toegespitst op creatieve ontwikkelingen, lanceren promotiecampagnes, mobiliseren investeringen in creatieve sectoren, etcetera. Ook hier is dus, ondanks alle retoriek van het tegendeel, duidelijk sprake van maakbaarheid vanuit een min of meer helder geformuleerd ideaalbeeld. Alleen doet men dit op een slimmere, ‘relatieve’ wijze. In plaats van achterstandsbuurten aan een totale make-over te onderwerpen, doet de Nederlandse overheid uiterst lokale precisie-ingrepen in het sociale en fysieke weefsel van de stad. Aan deze ingrepen worden niettemin grote utopische verwachtingen gekoppeld. Niet toevallig spreken de betrokken partijen hierbij over ‘gentripunctuur’. In een probleembuurt, zoals de Rotterdamse Spangen, worden creatieve groepen ‘geïnjecteerd’ in de verwachting dat hun ondernemingszin het aanschijn van deze volksbuurt in haar oude glorie zal herstellen en haar huidige bewoners in beweging zet.9 Net als bij de Zuidas is ook hier sprake van een bewust gecreëerde dubbelzinnigheid over de ware motor van het maatschappelijke veranderingsproces. Hoewel de zogenaamde gentripuncturale ingrepen ondenkbaar zijn zonder de massale financiële en organisatorische inzet van de overheid en hoewel zij deel uitmaken van welomlijnde beleidsprogramma’s gebaseerd op wetenschappelijke rapporten, wordt de operatie niettemin toegeschreven aan het spontane ondernemerschap van creatieve actoren.

De perverse kern van de relatieve maakbaarheid

We stoten hiermee op de paradox van de relatieve maakbaarheid van de Nederlandse samenleving. Aan de ene kant heerst consensus over het feit dat maakbaarheid leidt tot het verstikken van de meest essentiële eigenschap van maatschappelijke actoren: hun creativiteit, ondernemerschap en mogelijkheid tot zelfregularisatie. Tegelijkertijd is men het er over eens dat deze kwaliteiten moeten worden gestimuleerd. Het hilarische beeld ontstaat zo van een overheid die zegt zichzelf terug te trekken en het maatschappelijke initiatief over te laten aan ontwikkelingen van onderaf, om vervolgens als een bezetene deze processen in goede banen te leiden en, indien afwezig, eigenhandig op te wekken. De overheid vervult hiermee dezelfde rol als de presentator van het populaire televisieprogramma Dragon’s Den, waarin creatieve individuen (de pitchers) de interesse proberen te wekken van durfkapitalisten (de draken) om zo hun uitvindingen verder te ontwikkelen. De rol van de presentator beperkt zich tot het inleiden van de pitchers en het meelachen en meehuilen met de pitchers als zij de marktwaarde ontdekken van hun creatieve voorstellen. Hoewel het initiatief om voor de draken te verschijnen ongetwijfeld bij de creatieve individuen ligt, vormt de steeds op de achtergrond blijvende presentator de verdwijnendebemiddelaar van dit schijnbaar spontane gebeuren.

De relatieve maakbaarheid krijgt een pervers karakter doordat maatschappelijke actoren weliswaar meer ruimte krijgen om hun creativiteit bot te vieren, maar dit onder de strikte voorwaarde dàt ze creatief zijn én dat zij hun creativiteit op de juiste, ondernemende wijze uitnutten. Doet men dat niet, dan volgen disciplinaire sancties. Zo kruipt de Nederlandse overheid op het vlak van cultuurbeleid steeds meer in de huid van de durfkapitalisten van Dragon’s Den: de financiële middelen van ‘oncreatieve’ broedplaatsen worden zonder pardon teruggeschroefd of zelfs helemaal afgesloten om vervolgens de beschikbare budgetten te investeren in de zogenaamde ‘points of excellence’. Het gaat dan om culturele topinstituten van wie een hoge ‘returnvalue’ verwacht wordt op het vlak van internationale uitstraling, economische inpasbaarheid of maatschappelijk nut. Deze handelswijze vormt binnen het cultuurbeleid de variant op de eerder vermelde ruimtelijke hoofdstructuur.

Deze verregaande overheidsinmenging in Nederland op het vlak van cultuur vormt allerminst een op zichzelf staande geval. Integendeel, zij is de lokale tegenhanger van het relatieve maakbaarheidsdenken dat vandaag ook op globale schaal overheerst. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop Westerse mogendheden in landen als Afghanistan, Irak of Palestina druk doende zijn met het scheppen van de juiste randvoorwaarden voor het faciliteren van de aangeboren drang tot democratie van de plaatselijke bevolkingen. Als de bevolking haar democratische recht echter misbruikt en ongewenste partijen kiest om haar belangen te verdedigen, zoals Hamas in Palestina, volgen extreme sancties en is het paternalisme van de hoogtijdagen van de maakbare samenleving weer helemaal terug van weggeweest.

Een anderekijk op globale wereldorde is mogelijk

Het politiseren van de globale wereldorde ligt dus niet in een ‘ethische kritiek’ maar in het zichtbaar maken van haar ‘relatief gemaakte’ karakter en verdoken paternalisme. Een uniek politiek moment kan zo bestaan uit het publiekelijk erkennen van deze verdrongen obscene waarheid én de integratie ervan in haar officiële postpolitieke zelfbeeld. De opdracht is dus de verleiding te weerstaan om direct een ‘andere globalisering’ uit te denken. In de eerste plaats vraagt de globale wereldorde een alternatieve geschiedschrijving – nieuwe historiografische mythen en monumenten – die recht doet aan het ontkende gemaakte karakter van haar spontane verschijningsvorm.

Concreet stellen we het volgende voor. In een andere context stelde Lieven De Cauter als protest tegen het harde immigratiebeleid van de EU voor om de muur van Ceuta – samen met alle detentiecentra voor illegalen op het Europese vasteland – voor te dragen als cultuurmoment van het jaar 1998 (in het kader van de Jan Hagelprijs) met als bottomline: “Waarnemers voorspellen dat het ooit een toeristische bezienswaardigheid wordt”.10 Hierop voortbordurend stellen we voor om de lichte dwang waarmee creatievelingen in het ‘hol van de draak’ gestuurd worden op zoek naar microkredieten – noodzakelijk gemaakt door het sluiten van oncreatieve broedplaatsen en het concentreren van de cultuurbudgetten in creatieve topinstituten – te nomineren als hét ‘cultuurmoment van 2008’. Evenwel zonder het ethische cynisme van De Cauter. We bedoelen het bloedserieus. Vandaag mag het overheidsoptreden binnen de creatieve sector nog gerelativeerd worden als wreed doch noodzakelijk. In de toekomst zal blijken dat deze disciplinaire staatsinterventie op ongekende wijze bijgedragen heeft aan de making of van een nieuwe generatie zelfredzame en slagvaardige creatieve ondernemers, die blijmoedig hun creativiteit laten aftappen voor de droom die we allemaal hebben: een sterke internationale concurrentiepositie van Nederland binnen de globale wereldorde.

1.Zie ‘Utopie en globalisering’ in: Lieven De Cauter, De capsulaire beschaving, in: Reflect #3, NAi Uitgevers, Rotterdam, 2004 , pp 184-191.

2.We hanteren ‘toezicht’ als de vertaling van het begrip ‘la police’ door Jacques Rancière uitvoerig gedefinieerd als een gedepolitiseerde vorm van politiekvoering. Zie: Jacques Rancière, La mésentente, Ed. Galilée, 1995.

3.Lieven De Cauter situeert de praktijk van de relatieve maakbaarheid als verzet ook in het licht van het formuleren van een ‘absolute ethische eis tot gerechtigheid’.

4.Deze oplossing voor de excessen van de globalisering in termen van een ‘beter management’ wordt onder andere gepropageerd door Joseph Stiglitz, één van de bekendste critici van de neoliberale globalisering. Zie: Joseph Stiglitz, Globalisation and its Discontents, W.W. Norton & Co, 2003.

5.Door de ethische inslag van De Cauters positie kan hij gemakkelijk in de positie gedwongen worden van de hystericus of klokkenluider die de globale wereldorde telkens opnieuw uitdaagt om zich tot één of ander gebrek te verhouden – gisteren de oorlog, vandaag de globale opwarming, morgen wat anders – zonder zelf een alternatief voor handen te hebben. Zelfs zijn pleidooi om de globale wereldorde te politiseren door in de marges ervan alternatieve werelden te maken, wordt sterk ondermijnd door de abstracte manier waarop De Cauter dit verzet invult (o.a. met algemene termen zoals het andersglobalisme, de anti-oorlogsbeweging en het milieuactivisme) én de idealistische uitverkiezing van de marge als actieterrein.

6.Deze inzet baseert zich op Slavoj Zizek die stelt dat een kritiek in de eerste plaats ligt in de studie van de reproductie van de bestaande orde. Zie de inleiding van The indivisible remainder, Verso Books, 1996.

7.Erik Swyngedouw, A new Urbanity? The ambiguous politics of large-scale urban development projects in European cities, in: Willem Salet (ed.), Amsterdam Zuidas – European Space, 010 Publishers, 2005.

8.Zie Nota Ruimte. Ruimte voor ontwikkeling, vastgesteld in de Ministerraad 23 april 2004. Deze illusie wordt hoog gehouden wars van allerlei ernstige tekens van het tegendeel, zoals grote leegstand op de Amsterdamse kantoormarkt, de tanende interesse bij marktpartijen, enzovoorts.

9.We verwijzen hierbij o.a. naar ‘De dichterlijke vrijheid’ – naar ons weten een van de eerste projecten die de term gentripunctuur expliciet hanteerden. Het betreft een project rond het Wallisblok in Spangen opgezet door het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam in nauwe samenwerking met o.a. Steunpunt Wonen en Hulshof Architecten. Wegens succes werd dit spontane initiatief best practice binnen het zogeheten ‘Hotspotbeleid’ van het Ministerie van VROM. Het project werd in Rotterdam verder ontwikkeld en verfijnd in het project ‘169 Klushuizen’.

10.Zie voetnoot 17 bij het essay ‘De capsulaire beschaving’ in: Lieven De Cauter, De capsulaire beschaving, Reflect # 3, NAi Uitgevers, Rotterdam, 2004, pp 51-54.

 

Essay gepubliceerd in Open #15

Categories: Art

Type: Article

Share: