De koloniale gedachten van de minister-president

BAVO


2008, HTV

1 Terug naar een koloniale toekomst

Het is alom bekend dat 2006 het jaar was waarin de populariteit van Minister-President Jan-Peter Balkenende en het vertrouwen dat in hem gesteld werd mateloos toenam. Dit vertrouwen wordt doorgaans gelezen als blijk van waardering voor de manier waarop hij Nederland opnieuw naar de voorste regionen van het peloton leidde. Dat Balkenende & co hierbij harde maatregelen doorvoerde vaak tegen de volkszin in, wordt hierbij niet gezien als een smet op zijn prestatie, maar integendeel als bewijs van diens vooruitziende blik en leiderschap. Want, zo stellen velen, nu we van een gezonde kritische afstand kunnen terugblikken op voorbije crisisjaren kan geen mens ontkennen dat de offers die gevraagd werden aan de maatschappij niet alleen onvermijdelijk, maar ook terecht en nuttig waren. Zelfs het progressieve kamp lijkt gedwongen om Balkenende te feliciteren met zijn topprestaties en benadrukt de noodzaak om – mits een kleine aanpassing in de verdeling van de lusten en lasten – het huidige succes vast te houden. Al lijkt het tegendeel het geval, wij stellen dat deze breed gedragen consensus over het nut en voordeel van Nederlands comeback het nieuwe hoogtepunt vormt van ideologische verblinding. De stilletjes weggeëbde kritiek toont hoe Nederland elke gezonde reflectie op het regeringsbeleid – die onmiskenbaar van neoliberale snit was – staakte en langzamerhand wegzonk in een collectieve roes van aanvaarding en aanpassing. Niettemin herinneren we ons uit 2006 één helder moment, één kort ogenblik waarop de politieke passie over Balkenende’s visie op een welvarende Nederlandse maatschappij tot een ongekend kookpunt steeg. We denken dan aan het moment waarop de Minister-President de negatieve stemmingmakerij in de Nederlandse samenleving counterde met de profetische woorden: “Laten we blij zijn met elkaar. Laten we zeggen: Nederland kan het weer: die VOC-mentaliteit. Over grenzen heen kijken. Dynamiek!”[1] Kortom, de mentaliteit die Nederland vandaag ontzegd is – door een misplaatst schuldgevoel? – is deze van de goede oude koloniale dagen, toen Nederland onder het vaandel van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie haar actieveld uitbreidde naar de overzeese wingewesten. Anders dan dat de MP verwachtte, bleek hij met deze profetie – en in het bijzonder het letterwoord ‘VOC’ – het Nederlandse krachtenveld onder te dompelen in verwarring en verdeeldheid over zijn recept voor een dynamisch Nederland. Het dwong immers iedereen om ondubbelzinnig kenbaar te maken of het verheffen van de ondernemers tot het kloppende hart van de samenleving gerechtvaardigd is of niet? En zo ja, welke offers hiervoor mogen gebracht worden? Het meest opmerkelijke van Balkenende’s optreden was echter de nagedachte: ‘toch?’ waarmee hij naïevelijk – en zelfs een beetje verbaasd – reageerde op de onrustige reacties onder zijn toehoorders, de verzamelde leden van de Tweede Kamer. Ook al was Balkenende zelf de eerste om daags na zijn profetie zijn woorden af te zwakken – hij legde uit vooral de moedige ondernemersmentaliteit van de VOC te appreciëren en niet hun eigenlijke acties, zoals onder andere de slavenhandel – toch is zijn initiële vragende reactie uiterst betekenisvol. Het maakt duidelijk dat de VOC-mentaliteit dé dominante beleidslijn was tijdens de laatste jaren van het regeringsbeleid, ook al dachten anderen daar blijkbaar anders over. Het schandaal is dus niet zozeer dat Balkenende openlijk en ongestoord zijn inspiratie kan putten uit een afgrijselijke en vooral onhoudbare episode van de vaderlandse geschiedenis (wat hem feitelijk een revisionist van de koloniale misdaden maakt). De veel belangrijkere vraag is hoe het mogelijk is dat de VOC-mentaliteit de laatste jaren zo gemakkelijk een succesvolle comeback kon maken in het Nederlandse beleid? En verder, hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat deze ‘terugkeer van het verdrongene’ niet op veel meer maatschappelijk verzet gestoten is? Alsof de triomfantelijke terugkeer van de ondernemersmentaliteit een natuurfenomeen is, dat hoogstens wat ingebed diende worden aan de hand van een aantal sociale herstelmaatregelen.

2 Politieke passie in de polder

Het wonderlijke van de betekenaar ‘VOC’ is dus dat het zowel de aanleiding als medium was van een maatschappijbrede opleving van de politieke passie in Nederland. Bevolkingsgroepen die zich tot dan toe aan de oppervlakte gehouden hadden als het aankwam op deze neoliberalisering van de Nederlandse samenleving namen plots ongemeen duidelijk stelling pro of contra het idee dat onze sociale welvaart vooral baat heeft bij steun aan ondernemende types – niet aan zij die echt steun behoeven. Vooral de Nederlanders van Antilliaanse en Surinaamse afkomst communiceerden in niet mis te verstane woorden dat Nederland nood heeft aan alles behalve de hergeboorte van de VOC-mentaliteit – dit om voor de hand liggende redenen. Niet alleen kennen zij vanuit hun eigen familiegeschiedenis precies wat de VOC-mentaliteit inhoudt, ook zijn zij het die door de huidige obsessie met de ondernemersgeest vaak de eersten zijn die buiten de boot vallen. Met het uitspreken van de betekenaar VOC verzeilde Balkenende in de logica van wat Jacques Lacan het ‘point de capiton’ noemt. Dit is een knooppunt dat – in al zijn onbeduidendheid – de magische kracht bezit om de verschillende, soms tegenstrijdige betekenaars die rondgaan in een situatie (een liefdesrelatie, literaire tekst of politieke strijd) vast te pinnen, en hierdoor eerst een stabiele betekenis tot stand te brengen. De betekenaar VOC liet de samenleving toe om een lijn te trekken door de fragmentarische ervaringen met, en de ambigue gevoelens over de verschillende kabinetsmaatregelen van de afgelopen jaren. Bovendien stelde het hen in staat om de systematische samenhang en alles doordringende werking van deze maatregelen in te zien. Sprekend hiervoor was dat daags na de confessie van Balkenende, de betekenaar VOC een heel eigen leven begon te leiden in de maatschappelijke discussies. Het drieletterwoord vermenigvuldigde zich razendsnel en hechte zich vast aan tal van substantieven: zo sprak men van de ene op de andere dag van de typische ‘VOC-maatregelen’ die passen in het ‘VOC-beleid’ van ‘VOC- minister’ Balkenende. Het is deze ongewone vorm van verlichting die volgens ons vandaag meer dan ooit nodig is in Nederland, en wel omdat het de huidige ‘expertocratie’ omdraait. Zo wordt het algemeen aangenomen dat niet iedereen over de capaciteiten beschikt om te begrijpen hoe sociale processen werken en hoe deze kunnen worden gestuurd, én dat dit ook helemaal niet erg is. Vervolgens wordt ‘politiek’ – of wat daarvan overblijft – overgelaten aan een kleine kring experts die op de een of andere manier inzicht verwierven in de noodzakelijke gang van de geschiedenis. Gewone stervelingen kunnen dan ook op beide oren slapen en deze experts alle ruimte bieden die ze nodig hebben om slagkrachtig op te treden en de noodzakelijke offers die zij eisen zonder morren inwilligen. Wat de onfortuinlijke Balkenende met zijn VOC-profetie over zich uitriep was precies het omgekeerde: het veroorzaakte een uniek politiek moment waarin de zwijgende ‘stomme’ massa beter dan wie ook begreep wat het beleid inhield waarvan Balkenende & co slechts slaafse navolgers zijn. De koloniale oprispingen van de Minister-President – ook al werden ze al snel ingeruild voor andere termen – vormden zo de aanleiding voor een zeldzaam politiek moment. De vele straatinterviews op allerhande populaire en minder populaire tv-programma’s waarin het Nederlandse volk allerlei tegenstrijdige opinies ten tonele bracht ten aanzien van de VOC-mentaliteit, ontnam immers de bevoorrechte positie van de zogenaamde ondernemers in de Nederlandse samenleving van haar natuurlijke, onvermijdelijke karakter. Het waren vooral de voorstanders die benadrukten dat het een noodzaak is om een specifieke, ondernemende groep uit de samenleving op een troon te zetten – van waaruit ze kunnen acteren als de rechterhand van God.

3 Van een compleet naar een krachtig Nederland

De vraag die voor ons ligt is of we dit unieke moment kunnen vasthouden? Het eerste wat nodig is, is om de VOC-nostalgie te situeren binnen de verharding van het politieke discours in Nederland en de terugkeer hierbinnen van ‘stoere’ termen. Zo worden we de laatste jaren om de oren geslagen met termen als dynamiek, slagkracht, gidsland, en ga zo maar door. Nederland lijkt zichzelf collectief te onderwerpen aan een sessie peptalk. Het krachtenveld wordt ingeprent dat er ‘niets mis’ is om de eerste van de klas te willen zijn en het inzetten op krachtige sectoren en dynamische elementen in de maatschappij. Elke tegenstand wordt nonchalant afgewimpeld als ‘politiek correct’ of ‘het gevolg van misplaatste schuldgevoelens’. Illustratief op dit vlak is de verandering, binnen amper enkele jaren tijd, van de keywords van het Nederlandse Grote Stedenbeleid. Dit bijzondere beleid streefde lange tijd naar wat ze de ‘complete’ of ‘onverdeelde’ stad noemde en focuste op het integreren van achtergestelde groepen en het evenwaardig ontwikkelen van de fysieke, sociale en economische aspecten van de stad. Al snel kwam men op de proppen met de ‘krachtige stad’ als centrale slagzin en termen als ‘sociale herovering’ en ‘doorzettingsvermogen’. In de praktijk betekende dit een harde aanpak van overlast en criminaliteit en het stevig inzetten op het economisch ontwikkelen van de stad. Kortom, terwijl het concept van de ‘complete stad’ nog ingebed is in de gedachte dat integratie en samenhang de voorwaarde is voor een duurzame economische ontwikkeling, dan laat de ‘krachtige stad’ niets aan de twijfel over: enkel een slagkrachtige economie maakt eventuele sociale herstelregelingen betaalbaar. Deze discursieve verschuiving bewijst nogmaals dat de veel besproken ‘postsocialistische conditie’ – de shocktherapie waarmee voormalig communistische landen (gedeeltelijke) geïntegreerd worden in de globale markt – niet uitsluitend gereserveerd is voor de landen uit het voormalige Oostblok. Zoals Immanuel Wallerstein argumenteert is dit de dominante conditie geworden van alle landen en in het bijzonder een ‘dikke’ welvaartsstaat als Nederland.[2] Het zou een illusie zijn om te denken dat de institutionele en economische veranderingen waaraan de Oost-Europese landen vandaag onderworpen worden op wonderbaarlijke wijze aan Nederland voorbijgaat. Parallel met de omwenteling in de Oost-Europese landen, is ook Nederland druk doende haar concurrentiepositie veilig te stellen op de globale markt en zich zonodig te herpositioneren. Denk maar aan de manier waarop het Rijk de afgelopen jaren haar investeringen flink terugschroefde en concentreerde in wat zij ziet als haar kernactiviteiten of ook wel ‘de hoofdstructuur’ genoemd. Het gaat hier om de strategische assets van Nederland: elementen die Nederland een competitief voordeel kunnen bieden op internationaal niveau en/ of bepalend zijn voor het vestigingsklimaat van Nederland.[3] De andere kant van deze specialisering op Rijksniveau is dat – conform de vandaag heersende managersnormen in het bedrijfsleven – alle beleidstaken die buiten de kernactiviteiten vallen worden afgestoten en uitbesteed aan de lagere echelons. De laatste worden dan gevraagd om zelfredzaam te opereren en de eigen broek op te houden. Deze tendens benoemt men ook wel eufemistisch als het ‘bouwen aan een lokaal draagvlak’. Feitelijk komt het er op neer dat het lokale beleid uitgeleverd wordt aan haar zogenaamde marktpartners en haar dwingt publiek-private samenwerkingsverbanden aan te gaan. Hierbij is het cruciaal om te zien hoe de suggestie van symmetrie en gelijkheid tussen de partners totaal misleidend is. Niet alleen brengen marktpartijen vaak tot negentig procent van de investeringen op, ook worden overheden vaak gedwongen mee te investeren om überhaupt aan de onderhandelingstafel toegelaten te worden. Als er te kiezen valt tussen de uitbouw van een sociaal netwerk of een sterke economie, kiest men dan ook meestal voor de laatste (door middel van loonsmatiging, het flexibiliseren van de arbeidsmarkt, etc.) Sociale maatregelen verworden hierdoor tot een bijgedachte waarover men pas zal nadenken als eerst stevig ingezet is op de zogenaamde ‘trekkers’ (de veelverdieners, de bohémiens, de creatieve klasse, etc.) en er zo draagvlak ontstaan is, zoals men het dan formuleert, om enkele herstelmaatregelen te treffen.

4 Het spookbeeld van de Gouden Eeuw

De duidelijke paniek om de concurrentiepositie veilig te stellen op de globale marktplaats, neemt in Nederland een bijzondere vorm aan. We denken dan aan de angst om ‘achterop te blijven’ in de ‘vaart der volkeren’ en omgekeerd de drang om ‘samen sterk’ te staan ten aanzien van de uitdagingen van de 21ste eeuw. Deze nationaal- chauvinistische sentimenten die Nederland graag ‘over zichzelf vertelt’ worden namelijk gevoed door de overtuiging dat Nederland zich door haar hele geschiedenis heen steeds in de voorhoede bevond van globale ontwikkelingen en de rol van gidsland vervuld heeft – en dan in het bijzonder in de Gouden Eeuw: de periode waarin Nederland volgens de historicus Immanuel Wallerstein uitgroeide tot het eerste globale wereldrijk.[4] Het is dit beeld dat nooit veraf is – zoals pijnlijk bleek uit Balkenende’s VOC-nostalgie – in hedendaagse, politieke pleidooien voor dynamiek, de noodzaak om de creativiteit van ondernemingen niet aan banden te leggen en voor het uitbouwen van een slagkrachtige economie. Immers, in het licht van de glorietijd van de Gouden eeuw zou het niet minder dan een vervreemding van de eigen volksaard zijn om niet in te zetten op de dynamiserende rol van ondernemers. Het al dan niet doelbewust mobiliseren van nationaal-chauvinistische emoties over deze ver- gane glorietijd van Nederland is uiteraard de ultieme manier om elke politieke discussie over de huidige neoliberalisering van de samenleving te manipuleren door verwijzing naar een zonder twijfel geïdealiseerd verleden. Men vergeet dan welke offers deze culturele bloeiperiode materieel mogelijk maakte (denk aan de uitspraak van Walter Benjamin dat er geen document van de beschaving bestaat die tegelijkertijd geen document van barbarij is). De Gouden Eeuw is niettemin veraf genoeg – voor de meerderheid in ieder geval – om van stal gehaald te worden als een symbool van de symbiose tussen een ondernemende en dynamische houding van een selecte groep pioniers ten aanzien van de wereld en een welvarend Nederland. Het spreekt voor zich dat dergelijke ‘fetisj van onproblematisch succes’ elke maatschappelijke discussie platslaat over de precieze invulling van termen als ‘ondernemen’, ‘dynamiek’ en ‘pioniers’. Omgekeerd voedt het de overtuiging dat, in het licht van de vele uitdagingen die de globalisering stelt aan het Nederlandse volk, het laten varen van de oer-Hollandse ondernemersgeest niets minder dan een aanslag betekent op het eigen welzijn en de sociale afbraak onder de eerste kabinetsperiodes van Balkenende pijnlijk doch noodzakelijk is.

5 Nederland kan ‘het’ weer: overzee…

Hiermee belanden we bij de vraag van de specifieke invulling van Balkenende’s hernieuwing van de VOC- mentaliteit. Zoals iedereen weet was Balkenende er als de kippen bij om te benadrukken dat het hem niet ging om de verwerpelijke slavenhandel en de reductie van overzeese gebieden tot nieuwe jachtvelden. De vraag is dan uiteraard wat dan wel de betekenis is van de VOC-mentaliteit voor de Nederlandse samenleving vandaag. Met andere woorden: over wat moeten we blij zijn met elkaar, wat is ‘het’ dat Nederland weer kan en over welke grenzen moeten we heen kijken? Een eerste punt hierbij is dat alhoewel de directe koloniale machtsverhouding van westerse landen naar overzeese gebieden verdwenen is – dit moeten we Balkenende toegeven – niet wil zeggen dat deze geheel ontbonden is. Of preciezer gezegd, de oude koloniale verhouding van overheersing wordt voortgezet – en zelfs in verstevigde vorm – maar dan op een ander toneel. Zo is er de laatste tijd veel te doen rond de zogenaamde EPA’s (Economische Partnerschapakkoorden) die de Europese Unie afsloot met ontwikkelingslanden. Terwijl de EPA’s beide partners verplichten tot het opheffen van elke handelsbelemmering, houdt het geen rekening met tal van praktische problemen, zoals de ongelijke machtsverhouding tussen de partners of de indirecte steun van de EU aan haar eigen landbouwsector.[5] Dit leidt tot absurde situaties waarbij het voor de armste Afrikaanse landen goedkoper is om westerse producten te importeren (denk aan de veelbesproken Hollandse uien in Gambia), dan de eigen productiecapaciteit uit te bouwen. De EPA’s dragen zo feitelijk bij aan de reductie van Afrika tot een afzetgebied van goedkope westerse producten. Arme landen worden ook meer en meer onderworpen aan de globale arbeidsdeling van kennis en arbeid, waarbij zij elk uitzicht verliezen om hun economie op een hoger niveau te tillen en door te stromen naar de club van ontwikkelde landen. Zo toont de documentairefilm ‘We Feed The World’ hoe een land als Roemenië gedwongen wordt zaden van aubergines die bewerkt zijn met het zogenaamde ‘zelfmoordgen’ (dit zijn zaden die slechts één oogst opbrengen) aan te kopen van westerse bedrijven.[6] Terwijl de westerse bedrijven zo verzekerd zijn van hun inkomsten via de auteursrechten van hun producten (waarmee ze in staat zijn verdere kennis te ontwikkelen) worden de ontwikkelingslanden zo niet alleen in een afhankelijke toestand gehouden, maar wordt hun onderontwikkeling ook gecultiveerd. Landen met een lagere ontwikkelingsgraad vervullen zo voor de Westerse landen meer dan ooit de rol van productieplantage (met goedkope arbeidskracht en flexibele arbeidsvoorwaarden). Al deze praktijken tonen hoe de koloniale verhoudingen vandaag genormaliseerd zijn in marktrelaties en zo de ongelijke verhouding en ontwikkeling eerder verstevigd dan afgezwakt is. We hebben er het raden naar of Balkenende deze praktijken verstond onder van de VOC-mentaliteit nieuwe stijl. In ieder geval volgt zijn pathetische uitroep om ‘met elkaar blij te zijn’ dé logica van het superego die de huidige relatie van de EU-landen met de nieuwkomers (zoals Roemenië) en de armste ontwikkelingslanden (Gambia) ondersteunt en hen elke reden tot klagen ontzegt. Men voert dan aan dat de ongelijke machtsverhoudingen inderdaad voortduren, maar deze landen er nog veel erger aan toe zouden zijn zonder en daarom toch best benut wordt als basis van een interessante ‘win-win’.

6 … én aan het thuisfront

Deze ‘win-win’-filosofie (waarbij men uitgaat van ongelijke partners die elk hun meerder- of minderwaardige positie optimaal exploiteren) bepaalt niet alleen de buitenlandse relaties, maar wordt ook gecultiveerd in eigen land. We hoeven hier maar Balkenende’s oproep voor een terugkeer naar de ondernemermentaliteit van de VOC te koppelen aan zijn – al dan niet oppervlakkig – pleidooi voor de traditionele Nederlandse normen en waarden, en dan in het bijzonder deze van de familie als basiseenheid van de samenleving. De familie zou vandaag onder grote druk staan en om die reden extra aandacht verdienen – recentelijk bekrachtigd door een nieuwe ministerpost voor Jeugd en Gezin. Het is echter opmerkelijk dat het ‘heilige’ karakter van de familie – en al de utopische kwaliteiten die hieraan toegekend worden van eenheidszin, opvoeding en kennisoverdracht – niet heeft geleid tot beschermende maatregelingen onder de laatste kabinetsperiodes. Eerder het tegendeel is het geval, de bijzondere status van de familie betekende in de praktijk dat deze opgezadeld werd met tal van maatschappelijke lasten, waar de Nederlandse samenleving geen oplossing meer voor ziet – of niet bereid is om er verantwoordelijkheid voor op te nemen. We denken hierbij niet alleen aan de toenemende onderwijskosten die ten laste vallen van de familie, maar ook aan het recente voorstel om ouders te laten opdraaien voor eventueel crimineel gedrag van hun kinderen. Eerder dan dat dergelijke maatregelingen de familie als hoeksteen van de samenleving herkennen en hiervoor waarderen, lijkt het omgekeerde het geval: fundamentele kosten en risico’s voor de reproductie van de samenleving worden overgedragen op de familie. De lofzang aan de familie moet dan ook niet gezien worden als tegenstrijdig aan de VOC aspiraties van Balkenende, maar als complementair. Zijn lippendienst aan de familie is onderdeel van zijn droom van een ondernemend Nederland. Hierin vervult de familie een sleutelrol als kweek- en visvijver van hoogopgeleide arbeidskrachten, als vangnet voor disfunctionele elementen, enzovoorts. Met dezelfde ondernemerblik wordt er in Nederland momenteel naar de grote steden gekeken. We denken dan in het bijzonder aan de verscherpte aandacht voor stedelijke gebieden die achterop hinken in hun natuurlijke ontwikkeling, de zogenaamde achterstandswijken. Er heerst een grote angst – recentelijk nog vertolkt door oud-minister Pieter Winsemius – dat deze buurten wel eens de hele stad en zelfs het hele achterland in een noodlottige, neerwaartse spiraal zullen meesleuren. Het valt op dat deze gebieden doorgaans op dezelfde manier beschreven worden als (voormalige) communistische landen, zoals Cuba bijvoorbeeld: dit is als gebieden waar een regime heerst dat om onverklaarbare redenen elke natuurlijke groei lamlegt.[7] Om deze wijken uit hun zelfdestructieve cirkelbeweging te halen, wordt het vervolgens nodig geacht om een heterogeen leger van partijen zoals publieke overheden, woningcorporaties, project- ontwikkelaars, buurtgemeenschappen, straat- comités en kunstenaars los te laten op deze socio- economische zwarte gaten en hen vrij spel te geven in het reanimeren van deze buurten. Zo kreeg de traditionele inzet van de publieke overheden voor deze achterstandswijken, recentelijk ruggesteun van 21 landelijke woningcorporaties die niet minder dan 2,5 miljard euro’s reserveerden voor de reanimatie van wijken die door de jaren heen de stempel van ‘onleefbaar’ en ‘onveilig’ opgespeld kregen – dit laatste overigens niet zonder hun eigen bijdrage, of eerder non-bijdrage.[8] Het doel van deze heilige alliantie tussen politieke, economische, sociale en culturele krachten is dan om per direct de achterstandsbuurten ‘de grote sprong voorwaarts’ te laten maken en alle natuurlijke kwaliteiten van de stad te reactiveren: als een motor van emancipatie, verdraagzaamheid, ondernemerschap, etc. Dat het deze partijen om meer te doen is dan het behoeden van de stad van haar uiteenvallen, is al meteen duidelijk in de benamingen van de achterstandsbuurten als ‘de nieuwe jachtvelden’. Of anders gezegd, het toekennen van tal van utopische kwaliteiten aan deze buurten – een grootstedelijk karakter, jeugdige populatie, spannende mix van subculturen – betekent allerminst dat zij niet vooral worden gezien als een unieke investeringskans met hoge returnvalue. Elke dag dat deze ruimtelijke activa niet uitgenut worden, zou een dag zijn waarop de stad ettelijke miljoenen euro’s misloopt, wat uiteraard wordt gezien als een regelrechte aanslag op haar concurrentiepositie. Geen wonder dus dat steden niet langer streven naar het stabiliseren van de woonmarkt, maar het devies van VOC minister Balkenende voor ‘dynamiek!’ te baat nemen om de bouw- en afbraakcycli te versnellen, het aanbod aan spannende woonmilieu’s te verbreden, nieuwe ‘creatieve’ bevolkingsgroepen te introduceren en ga zo maar door.

7 Conclusie: koloniseer de ander, zoals jezelf!

We kunnen dus concluderen dat de VOC- mentaliteit nieuwe stijl zich in eerste instantie richt op haar eigen achtertuin. Het is met andere woorden Nederland die zichzelf koloniseert. Als we gevraagd worden om ‘over grenzen heen te kijken’, dan is het precies om elke reserve hiertegen te laten varen. Wat deze kwestie des te urgenter maakt is dat we met deze zelfkoloniale processen nauwelijks iets nieuws onder de zon hebben en dus lijken te belanden in een eeuwige terugkeer van hetzelfde. In de eerste plaats mag het duidelijk zijn dat voor multinationals het onderscheid tussen koloniserende en gekoloniseerde landen al langer dan vandaag vervaagd is.[9] Bovendien mogen we niet vergeten dat de Vereenigde Oost-Indische Compagnie algemeen beschouwd wordt als de eerste multinational, waarbij de Nederlandse staat zichzelf organiseerde als een bedrijf en zich zo ontsloeg van tal van wettelijke bepalingen en andere obstakels die hun winst- en groeicijfers in de weg stonden. De wildgroei aan verzelfstandigde gemeentebedrijven en dito stedelijke of regionale ontwikkelingsmaatschappijen – waarin de politiek uitgebreid wordt naar zogenaamde marktpartners en andere geprivilegieerde betrokken partijen – lijkt zich niet alleen op deze specifieke VOC-strategie te inspireren, maar deze bovendien een nieuw élan te geven. Beslissingen die de hele maatschappij aangaan worden hiermee meer en meer geconcentreerd binnen nieuwe beslissingsorganen, die met hun ondoorzichtige, flexibele en autocratische besluitvormingsprocessen de hele maatschappij voor hun kar spannen. Dit toont hoe, om het met de woorden van André Gorz te spreken, “het kolonialisme niet alleen een optreden naar buiten is van het moderne kapitalisme, maar dat het ook een optreden is naar binnen, het vindt plaats in de boezem van de imperialistische landen zélf en wordt zonder enige breuk in de continuïteit, buiten de grenzen voortgezet.”[10]

Noten

1 Dit tijdens de Algemene Beschouwingen 2006. Zie: www.youtube.com/watch?v=L798qiQXVo4

2 Zie o.a. Immanuel Wallerstein, After Liberalism, New York: The New Press, 1995.

3 David Harvey, Spaces of global capitalism, New York: Verso 2006

4 Zie: Immanuel Wallerstein, The Modern World-System, volumes I, II en III. New York: Academic Press 1974, 1980 en 1989.

5 Zie bijv. www.oxfam.org/en/policy/briefi ngnotes/bn0609_unequal_ partners_EPAs

6 De film ‘We Feed The World’ van regisseur Erwin Wagenhofer. Zie: www.wefeedtheworld.nl

7 Cf. Zizek, Plague of Phantasies, London: Verso 1997, p 276.

8 Zie: www.vpro.nl/programma/buitenhof/afl everingen/ 31489484/ items/32964254/

9 Slavoj Zizek, The Ticklish Subject, London: Verso 1999, p 215

10 André Gorz geciteerd in Paul Elshof, Stadsvernieuwing, Amsterdam: Ecologische Uitgeverij 1976

balkenende voc v.o.c. vereenigde oostindische compagnie leiderschap dynamiek zelfkolonisatie ondernemen grote stedenbeleid wallerstein dynamiek kolonisatie zelfkolonisatie

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: