Article

De enige goede architect is een dode architect

BAVO


2016, Oase Journal

Overmatige aandacht voor de noties van gebruik en toe-eigening is symptomatisch voor een onbehagen in de Vlaamse architectuurcultuur. Fantasierijke verhalen over een rijke publieke receptie vormen het rookgordijn voor een flinterdun draagvlak en een onzekerheid over de maatschappelijke relevantie van de architecturale discipline. Wat verwacht de architect eigenlijk van de gebruiker? Mag de gebruiker enkel op het toneel verschijnen als het mooie werk van de architect afgerond is? Is de enige goede gebruiker een stomme gebruiker? En hoe kan de gebruiker ook een dragend onderdeel worden van het architecturale productieproces?

Download PDF

Gebruiker als fetisj

Het is opmerkelijk dat gebruik en toeëigening centraal komt te staan in een context waar het architecturaal object  als een abstractie verdwijnt binnen bijzondere financiële constructies. Deze gelijktijdigheid kwam erg opvallend naar voren in de sensibiliseringscampagne van de Vlaams Bouwmeester rond architecturale kwaliteit binnen het scholenbouwprogramma ‘Scholen voor Morgen’, een omvangrijke publiekprivate samenwerking tussen Agion (agentschap Vlaamse Overheid) en AG Real Estate (vastgoedbedrijf van BNP Fortis Paris Bas). 1

Gebruik en toe-eigening functioneren in dit geval als fetisj voor datgene wat verloren ging binnen complexe en ondoorzichtige rekenmodellen: een architectuur gedragen door concrete noden en verlangens. Hoe anders kunnen we verklaren dat basisschool De Klare Bron in Heverlee door de Vlaams Bouwmeester uitgespeeld werd als best-practice?

Het ontwerp van de methodeschool De Klare Bron was een vroege voorloper van het grootscheepse scholenbouwprogramma en werd na een Open Oproep procedure uitgewerkt door MaccreanorLavington Architects. Het ontwerp innoveert op een aantal fundamentele aspecten het vormelijk apparaat om kinderen te scholen. Kroonstuk is wat de ‘leefgang’ genoemd werd – een verbreding van de gang zorgde ervoor dat een louter functionele ruimte nu ook gebruikt kan worden voor activiteiten. Samen met de opvouwbare wand van de turnzaal schept de leefgang plots een zee van open ruimte in het hart van de school.

De unieke gebruikskwaliteit van de school neemt niet weg dat de gebruiker – in dit geval de schooldirectie en onderwijzend personeel – nooit betrokken werd in de totstandkoming van het ontwerp. Het definiëren van de opdracht, de aanstelling van de architect en de uitwerking van het ontwerp was een technische aangelegenheid binnen de publiek-private samenwerking van de overkoepelde schoolautoriteit (GO!) en de financier/ontwikkelaar (BNP Paris Bas). In dergelijke publiek-private samenwerking kan de gebruiker enkel als abstracte referentie worden opgevoerd en nooit uitgroeien tot een dragend subject binnen een gemeenschappelijk ontwerpproces.

Geen wonder dat het schoolteam onverschillig reageerde bij het aanvaarden van het godsgeschenk. Het is dan ook cynisch dat het ontwerp naar eigen zeggen van de architecten recht deed aan de filosofie van de methodeschool gericht op inspraak en emancipatie van de leerling. Het ontwerpproces zelf werd alvast niet aan diezelfde waarden onderworpen. De architect blijft heer en meester in een ontwerp dat louter zijn goede bedoelingen reflecteert. Gebruik en toe-eigening krijgen pas een betekenis in de consumptie van het architecturaal object.2

Postproductie in de architectuur

Het alom geprezen Pandenbeleid van de Stad Antwerpen brengt ons een stap verder in de analyse van het nut en nadeel van gebruik en toe-eigening voor de architecturale productie. De doelstelling om met speldenprikken kleine dosissen architecturale kwaliteit te introduceren binnen de afgeleefde 19de Eeuwse gordel van ‘t Stad, blijkt pas realiseerbaar nadat de gebruiker eerst uit het ontwerpproces werd verbannen. Het Pandenbeleid is opgezet als een marktoperatie met het autonome gemeentebedrijf Vastgoed en Pandenbeleid (AgVespa) aan het stuur.3

De architecturale kwaliteit van de eengezinswoning ontstaat vanuit een 1-2-tje tussen AgVespa en een geselecteerde architectenpool. In het ontwerpproces krijgen jonge en minder jonge architecten de ruimte om volop te experimenteren binnen een opgelegde bouwenveloppe. Een stringente set van financiële, vormelijke en bouwtechnische eisen zorgde voor een casco verkoopbaar product.

Het hoekpand Dodoensstraat – naar ontwerp van URA – toont als geen ander de contradicties van het Pandenbeleid.4 De voornaamste ingreep door de architecten was de hoekige spiraaltrap die ontstaat door een offset van de perceelgrens. Het betrof een alternatief op het traditionele trappenhuis die in het smalle hoekpand onevenredig veel nuttige vloeroppervlakte in beslag nam. De plaatsing van de spiraaltrap in het hart van de ruimte beperkt niet alleen de voetafdruk, maar maakt ook een veel rationelere ruimteverdeling mogelijk.

Opvallend is dat de representatie van het architectuurprojecten binnen het Pandenbeleid steevast een intieme inkijk biedt in knusse en eigentijdse interieurs. Hiermee wordt een ander beeld gecreëerd dan de strikte casco oplevering. Zo krijgen we van het hoekpand Dodoenstraat een ingerichte versie te zien inclusief de postproductie die de eindgebruiker doorvoerde.5 Ook hier bleek de eigenaar onverschillig ten opzichte van de unieke minimalistische architectuur. Hij sloot de lichtopeningen in de spiraaltrap af, verlengde scheidingswanden en sloot ruimten af met vensterdeuren. Aandacht voor gebruik en toeëigening blijkt eerder een functie in een marketingstrategie dan de oprechte weergave van de woonverlangens van de eindgebruiker.

De beelden van gebruik en toe-eigening in het hoekpand Dodoenstraat tonen tenslotte ook de ideologische aard van het Pandenbeleid. De idee was om met goede architecturale smaak een nieuw imago te scheppen rond de 19de Eeuwse gordel en zo jonge middenklasse gezinnen aan te trekken. De eindgebruiker bleek uiteindelijk niet de vooropgestelde gebruiker, maar een alleenstaande, ondernemende man die de eengezinswoning prompt verbouwde tot Bed & Breakfast – al maakt dat in de marktoperatie geen verschil.

Toe-eigening door wie?

De vervreemding of abstrahering van de architecturale productie is niet louter te wijten aan het toenemende belang van andere, heteronome krachten in het ontwerp. Opvattingen van gebruik en toe-eigening liggen evengoed verankerd in autonome architectuurpraktijken. We zien bijvoorbeeld in het werk van Office KGDVS zogenaamde pro-publieke zones verschijnen rond een kamer van koophandel, een vrijstaande villa, een schoolgebouw en wat nog allemaal meer.6 Een formalistische definitie van architectuur anticipeert op een representatieve om niet te zeggen fictieve categorie van ‘het publieke’.7

Het is in deze sfeer van absolute architectuur dat Vlaanderen vandaag uitpakt met doorwaadbare bouwblokken, genereuze kantoorplinten en levendige straatbeelden. Hoe mooi de resultaten ook mogen zijn, in elk geval blijft volstrekt onduidelijk wie of wat de plaats inneemt van het publieke en om wat te doen. Een lege betekenaar wordt hiermee letterlijk vertaald in ruimte. Gebruik en toe-eigening functioneren hierbij als pasmunt voor een archaïsche arbeidsverdeling tussen enerzijds de architect als meester van het ontwerp en anderzijds de gebruiker die het ontwerp consumeert volgens dagelijkse routines. De gebruiker staat vreemd tot de fundamentele ontwerpbeslissingen aangaande vorm, proportie, materie en textuur en krijgt geenszins de macht om zich ook de productie van de architectuur toe te eigenen.

Tegen de achtergrond van de arbeidsverdeling tussen Meester-architect en naïeve eindgebruiker is het correcter om te spreken van een toe-eigening van de architectuur door de architect. Het is in de handen van de architect dat de architectuuropdracht vervreemd wordt van de opdrachtgever en een uitwerking krijgt in een ontwerp dat slechts betekenis heeft binnen een specifiek oeuvre of ontwerpschool – en als zodanig enkel door ingewijden herkend wordt. De gebruiker staat er bij en kijkt ernaar. In het licht van de toeëigening van de architectuur door de architect is de toeëigening van architectuur door de gebruiker kinderspel.

De vraag is hoe we de perverse logica van gebruik en toe-eigening kunnen ondermijnen? Enkele reportages van fotograaf Stijn Bollaert zetten ons op het goede spoor. De uitdrukkelijke vraag om in het kader van het Architectuurboek Vlaanderen de gebruiker in beeld te brengen, wordt door de meeste fotografen dwangmatig beantwoord met vrolijke tafereeltjes van spelende kinderen en zwoegende ouders in het huishouden. In enkele fotoreeksen beantwoordde Stijn Bollaert de vraag naar gebruik door herhaaldelijk zichzelf in beeld te brengen.8

De cameoverschijning van de fotograaf ondermijnt op een geslaagde manier de ideologie van gebruik en toe-eigening. De inclusie van de fotograaf in het beeld maakt ons bewust van het opgelegde frame waarbinnen de architectuurproductie in Vlaanderen gevat wordt. We zien in verschillende reeksen telkens dezelfde schim rond dolen tegen de achtergrond van een absolute architectuur. In het ene beeld is het gesuggereerde gebruik een figuur die ongemakkelijk en houterig neerdaalt van de trap. In het andere beeld gaat het om een dromerige figuur die over een muurtje leunt en de eigen architecturale creatie lijkt te bewonderen.

De beeldenreeks van Stijn Bollaert toont als geen ander hoe de ideologie van gebruik en toe-eigening functioneert: het reduceert de gebruiker tot een inwisselbaar attribuut binnen abstracte architecturale representaties van ‘het publieke’. Een algemene wijsheid onder architecten is dat architectuur best gefotografeerd wordt op een mythisch moment juist voorafgaand aan de oplevering – zodat de creatie nog niet bevlekt is door de gebruiker die er allerlei foute meubelstukken installeert of dissonante gebruiken introduceert.

Gebruiker als subject

We  moeten nog een stap nemen om te komen tot een subversie van de ideologie van gebruik en toe-eigening in het ontwerp. Het gaat er ons niet om de gebruiker als een illusie te ontmaskeren aangezien het ideeëngoed van een absolute architectuur teert op eenzelfde fantasie. Het punt is dat de gebruiker qua fetisj ook positief geïnterpreteerd kan worden. De beelden van Stijn Bollaert tonen als geen ander het – weliswaar gefaalde – verlangen in de Vlaamse architectuur om de gebruiker deel te maken van de architecturale productie. Al het voorgaande daagt ons uit om trouw te blijven aan het verlangen en de gebruiker een effectieve stem te geven in het ontwerpproces. Enkel zo kan de bejubelde Vlaamse architectuurcultuur een levend onderdeel worden van het maatschappelijk gebeuren.

Een voorbeeld in Vlaanderen waar de gebruiker niet zomaar een nagedachte vormt, is ParckFarm -een project dat reeds elders in dit nummer aan bod kwam. Sleutel tot welslagen in ParckFarm is de verweving van het tentoongestelde werk met initiatieven van buurtbewoners. Gebruik en toeëigening was geen nagedachte, maar deel van het productieproces. Het resultaat is een eclectische verzameling van o.a. een boerderijhuis, landschapstafel, composttoilet, broodoven, schaapsweide, kippenren, bijenkorven, lichtinstallatie, etc. De rol van de curators (Taktyk en Alive Architecture) en betrokken architecten (o.a. 1010A+U, Collective Disaster en studenten Sint Lucas) was even fundamenteel als de bijdrage van Ruth, Tessa, Abdel, Moustafa, Nadine, Christina, Sennouni, Phedra, Abdelali, Jorgue, Mario en wie nog allemaal meer. Het is voor oningewijden volstrekt onduidelijk – en ook irrelevant – waar het werk van de ene stopt en de andere overneemt.

ParckFarm is de grote afwezige in de communicatie van hedendaagse Vlaamse architectuur en wordt zelfs beschouwd als non-architectuur. Dat is niet geheel onbegrijpelijk, want de andersoortige architectuurpraktijk van ParckFarm ondermijnt het disfunctionerend begrippenpaar architect en gebruiker. In een project als ParckFarm is de architecturale productie niet langer het eigenzinnige product van één of ander Meester-architect, maar een resultante van het gedeelde verlangen dat geconstrueerd wordt in de ontmoeting van de architect-curator en de gebruiker-architect.9 Enkel in de vorm van een curator – of naar het Nederlands misschien beter vertaald als: bemiddelaar – kan de architect ruimte scheppen voor concrete noden en verlangens. En, enkel in de vorm van coproducent vormt de gebruiker – voor zover de term nog gepast is – een reëel draagvlak voor architectuur.

 

 

Onderschriften beelden

1. De Klare Bron, Heverlee, MaccreanorLavington Architects: De gebruiker mag het godsgeschenk van de architect consumeren

2. Hoekpand Dodoensstraat, Antwerpen, URA: De gebruiker komt op het toneel as de meester-architect verdwenen is

Villa VOKA, Kortrijk, Office KGDVS: De gebruiker laat de wetten van de absolute architectuur ongemoeid

4. Foto’s Stijn Bollaert

 

Notes:

  1. http://www.scholenbouwen.be/schoolvoorbeelden/bs-de-klare-bron-heverlee. Zie ook Maarten Van Den Driessche (red.), De school als ontwerpopgave, Gent 2006.
  2. Alain Findeli en Rabah Bousbaci, ‘L’éclipse de l’object dans les théories du projet en design’, The Design Journal, 8(1), pp. 35-49.
  3. Zie ook: Gideon Boie, ‘Architectural Asymmetries’, in: Ana Jeinic en Anselm Wagner (red.), Is there (anti-)neoliberal architecture?, Berlin, 2013, pp. 104-117
  4. Katrien Vandermarliere o.a. (red.), Jaarboek Architectuur Vlaanderen 2008-2009, Antwerpen, 2010, pp. 188-191.
  5. Nicolas Bourriaud, Postproduction, Lukas & Sternberg, New York 2002.
  6. Aglaée Degros, ‘Vlaams Eldorado’, in: Christoph Grafe o.a. (red.) Architectuurboek Vlaanderen nr. 10, Antwerpen, 2012, pp. 115-138.
  7. Pier Vittorio Aureli, The possibility of an absolute architecture, Boston, 2011.
  8. voor beeldreportages van o.a. C-mine (ontwerp 51N4E), zie: http://www.stijnbollaert.com/
  9. Doina Petrescu, ‘Losing Control, Keeping Desire’, in: Peter B. Jones, Doina Petrescu and Jeremy Till (red.), Architecture and participation, London, 2005, pp. 43-64.

 

 

 

Categories: Architecture

Type: Article

Share: