De creatieve stad – Stadsontwikkeling is politiek

BAVO


16/02/2007, Groene Amsterdammer

Onder het mom van ‘creativiteit’ voeren steden op de keper beschouwd gewoon klassenstrijd. Listig, want wie heeft er iets tégen creativiteit?

Lange tijd kwam het Witte Huis goed weg met prachtig klinkende initiatieven als het Healthy Forest Plan en de Clean Air Act. Terwijl voor iedereen duidelijk was dat de eerste betekende dat er aanzienlijk meer bomen tegen de grond gingen en dat de tweede wet het Amerikaanse bedrijfsleven meer ruimte gaf tonnen CO-2 uit te stoten, bleken zij sterk genoeg om het electoraat te mobiliseren. Bush memoreerde beide initiatieven dan ook voortdurend in de verkiezingstrijd om op te scheppen over zijn milieubeleid. Want wie is er nu tegen ‘gezonde bossen’? Er zijn nog een hele reeks van dergelijke termen op te dissen.

Terwijl het verlichte Europa zich vaak ontpopt als meester in het doorprikken van deze politiek van eufemismen in Amerika, lijkt ook zij zelf erdoor geplaagd te worden. Zo beleeft de stad in Nederland momenteel de stad een triomfantelijke intocht in wat men het ‘creatieve tijdperk’ noemt. Terwijl iedereen maar al te goed weet dat het woord ‘creativiteit’ als vehikel dient voor allerhande politieke en economische doelen die weinig tot niets met creativiteit te maken hebben, is klaarblijkelijk niemand bereid om het beest ook echt in de bek te kijken. Immers, wie kan er nu iets tegen de algemeen menselijke waarde van de ‘creativiteit’ hebben? Ons eigenste nuchtere Nederland lijkt aardig haar weg te kennen in het politieke landschap der eufemismen.

De creatieve stad zet de betekenis van wat traditioneel in Nederland als een progressief stedelijk beleid te boek stond, op zijn kop. Tot voor kort bestond dit uit het opvoeden, organiseren en emanciperen van groepen die niet meetelden als volwaardig deel van de samenleving, en dus niet van de welvaart konden genieten die ze meestal zelf hadden helpen produceren. Het insluiten van deze misnoegde massa werd jarenlang gezien als conditio sine qua non voor een hechte sociale samenleving als ook voor een stabiele economie. Met de huidige hype rond creatieve steden zet een ‘progressief stedelijk beleid’ vooral in op toptalenten en bedrijven, en het verwezenlijken van geïndividualiseerde, op hun maat toegesneden woon- en werkarrangementen.

Zo manifesteert de hernieuwde Nederlandse kolonisatiedrift, waar Jan-Peter Balkenende onlangs expliciet om vroeg met zijn pleidooi voor een herinvoering van de VOC-mentaliteit, zich in eerste instantie in het eigen stedelijke gebied. Nederland koloniseert nu zichzelf. En de ‘creativiteit’ is de fetisj die alle maatregelen als zoete koek bij het electoraat laat binnenglijden. Steden worden niet langer gewaardeerd als motoren van emancipatieprocessen, maar als ‘ruimtelijke activa’ die koste wat kost uitgenut moeten worden. Elke dag waarop dit niet gebeurt, loopt de stad ettelijke miljoenen euro’s mis, wat op haar beurt wordt gezien als een regelrechte aanslag op haar concurrentiepositie. Steden streven niet langer naar het stabiliseren van de woonmarkt. Creativiteit brengt ‘dynamiek’ – opnieuw zo’n fetisj – wat in de realiteit neerkomt op het versnellen van de bouw- en afbraakcycli, het verbreden van het aanbod aan spannende woonmilieu’s en het introduceren van nieuwe ‘creatieve’ bevolkingsgroepen.

Bij het koloniseren van het eigen land, door het bedrijfsleven, wordt dus opvallend genoeg het jargon gebruikt dat hoorde bij de oude progressieve stedelijke politiek. Het creatieve stadsmanagement neemt zo het gehele maatschappelijke speelveld in zich op. Ze integreert niet alleen de politieke en economische spelers – de zogenaamde publiek-private samenwerkingsverbanden – ook absorbeert ze de activistische en culturele wereld door zich te bedienen van termen als creativiteit, bottomup, participatie, authenticiteit, autarkie, enzovoorts. Geen wonder dat met dergelijke maatschappijbrede coalitievorming de randvoorwaarden van de huidige hype rond de creatieve stad (welke creativiteit, van wie wordt deze afgetapt en om wat te doen?) onuitgesproken blijven.

De fetisj van de ‘creativiteit’ is echter gemakkelijk te ontmaskeren. Zo houden de propagandisten van de creatieve stad er steevast een merkwaardige combinatie op na van, aan de ene kant, een filosofie van ‘niets doen’, en aan de andere kant een vernieuwd geloof in de maakbaarheid. Neem de manier waarop Rotterdam met een project als ‘Groeibriljanten’ het initiatief radicaal uit handen geeft. Elke Rotterdammer wordt hierbij opgeroepen om de ‘kansen’ in zijn buurt te identificeren. Voor de meest originele keuze word dan een potje subsidiegeld gereserveerd die de bewoners in staat moeten stellen om deze kansen ook echt te verzilveren. Tegelijk komt de Rotterdamse overheid met kant-en-klare totaaloplossingen waarin hele happen van de stad worden aangepakt. Zo schonk de gemeente Rotterdam met het project ‘De dichterlijke vrijheid’ een gans bouwblok in ‘probleembuurt’ Spangen weg aan jonge creatieve mensen – na eerst de huidige eigenaars en bewoners te hebben uitgekocht. Denk ook aan het nieuwe Lloydkwartier dat momenteel in aanbouw is. Het betreft een woonwerkoase met circa 2000 woningen in het duurdere segment van de woonmarkt.

Het is moeilijk om in de laatst genoemde projecten niet het streven van Rotterdam te herkennen naar exclusieve woonmilieu’s voor specifieke doelgroepen, zoals kunstenaars, ontwerpers, ICT-ers, managers, yups en zelfs CEO’s. Hieruit blijkt – ondanks het oppervlakkige geflirt met bewonersparticipatie – vooral het onwankelbare geloof dat enkel de ‘creatieve klasse’ Rotterdam zal redden van haar nakende faillissement en sociale disintegratie. Stadsmanagers kennen de nieuwe creatievelingen de magische kracht toe om de verloren balans in het getergde Spangen en Delfshaven te herstellen. Plots lijkt creativiteit niet van de bewoners te komen, maar van de vers geïmporteerde creatieve elite.

Terwijl deze eenzijdige inzet verkocht wordt in functie van een herstel van een gelijke verdeling van inkomensgroepen in de stad, toont de praktijk dat hier vaak het tegenovergestelde het geval is. Het nieuwe Lloydkwartier mag misschien wel het socio-economische profiel van Delfshaven statistisch opkrikken, het vormt niettemin een monolithische enclave voor de bevoorrechte klasse, vlak naast de sinds jaar en dag geïsoleerde volksbuurt Schiemond. Deze strikte scheiding van klassen steekt bovendien schril af tegen de ideale verdeelschema’s kwa inkomensgroepen per wijk die doorgaans aangewend worden als alibi om sociale woonbuurten, als Spangen en Nieuw Crooswijk, open te breken en de eigendomsrelaties grondig te herschikken.

Als creativiteit dus iets teweeg gebracht heeft, is het wel dat stedelijke segregatie niet langer een ‘spontaan’ effect is van de onzichtbare hand van de markt, maar volwaardig onderdeel geworden is van doelbewust politiek beleid. Rotterdam sluit weliswaar geen bevolkingsgroepen rechtstreeks uit. Het richt zich echter wel in haar stedelijk beleid nadrukkelijk op specifieke, uitverkoren doelgroepen, die het een handje helpt, terwijl ze omgekeerd de meerderheid overlevert aan de grillige en soms keiharde werkingen van de markt.

Niet alleen in de praktijk, maar ook in de creatieve theorie zelf zijn deze antagonismen uiteindelijk niet onzichtbaar. Zo poneren de proponenten van de creatieve stad ‘creativiteit’ graag als een algemeen menselijke waarde en laten elke burger of subcultuur te voorschijn komen als waardevol menselijk kapitaal. Niettemin bestaat er consensus over de negatieve correlatie tussen creativiteit en oude arbeidersbuurten. Richard Florida, auteur van de bestseller ‘The Creative Class’, toont met allerhande statistieken aan dat oude arbeiderssteden het traditioneel slecht doen als creatieve milieus, omdat er teveel lokale weerstand zou bestaan tegen de nieuwe vormen van creativiteit. Met name het gebrek aan tolerantie ten aanzien van kunstenaars, homo’s en andere bohémiens zou een flinke rem zetten op de vlotte doorstroming van een stad naar het creatieve tijdperk. Want juist deze tolerantie ziet Florida, naast de T’s van ‘talent’ en ‘technologie’, als essentieel voor een creatieve stad. Steden die traditioneel grote groepen arbeidersbevolking herbergen, zoals Rotterdam, hebben er, althans binnen Florida’s scenario, alle baat bij om zo snel mogelijk haar oude, hechte arbeiderswijken open te breken en er de bevolkingssamenstelling te veranderen.

Dat verklaart de verbetenheid waarmee een stad als Rotterdam de afgelopen jaren flink huishield in haar zogenaamde probleembuurten, een proces dat tot op vandaag nog voortduurt. Denk aan de hetze rond de herstructurering van Nieuw Crooswijk. Een drievoudige strategie wordt hierbij gehanteerd: het injecteren van ruimdenkende groepen, zpals in het Rotterdamse Wallisblok, het op gang brengen van doorstroming en sociale mobiliteit binnen de buurt (door succesvolle bewoners voorrang te geven op het verwerven van een woning in de buurt en ondernemende types te belonen met professionele coaching) en ten slotte het uitspreiden van de minder gewenste groepen over het hele stedelijke territorium. Binnen stedelijke diensten spreekt men in dit verband van ‘huisvestingsnomaden’: kwetsbare groepen die, naarmate de herstructurering verder oprukt, van de ene naar de andere probleembuurt worden versleept.

Dat al deze processen niet op hevig verzet stuiten, is mogelijk door ze te brengen als pijnlijk doch onvermijdelijk kwaad om de stad te lanceren in het creatieve tijdperk. De herstructurering moet bijdragen aan een interessant ‘creatief’ vestigingsklimaat, dat zelf wordt geponeerd als de onmisbare basis van een welvarende samenleving. En wie kan daar iets op tegen hebben?

Niettemin getuigen de verwarde populistische reacties bij een groot deel van de Rotterdammers van de tegenstrijdige situatie waarin Rotterdam vandaag beland is. In haar tomeloze ambitie om volop in te zetten op lokale creativiteit, als tegenwicht op de ‘globale’ havenactiviteiten, voert ze een beleid waarin de eigen bevolking verdrongen wordt door andere, meer gewenste groepen.

Dit is de pijnlijke waarheid van de creatieve stad: terwijl de gemeentelijke overheid zich opwerpt als verdediger van het algemene mensenrecht van de creativiteit, en zich hiertoe steeds verder terugtrekt, pampert ze de creatieve klasse met aangename en voordelige woonwerkoases. Al het trendy gebabbel over het nut en voordeel van creativiteit voor de stad moet verbergen dat er opnieuw wordt uitgegaan van een stad ‘met twee snelheden’. Anders gezegd, onder het mom van de creatieve stad wordt een planmodel aanvaardbaar gemaakt dat uitgaat van een klassenverschil. En het werkt, want wie heeft er nu iets tegen creativiteit?

Het enige middel dat de ban van de fetisj ‘creativiteit’ kan breken, is de stelling van geograaf David Harvey dat ‘als iets ruikt naar klassenstrijd, en zich ook zo gedraagt, we het ook maar zo moeten benoemen.’

Gepubliceerd in: De Groene Amsterdammer #7/2007 https://www.groene.nl/artikel/de-creatieve-stad–2

Lees ook de reactie van Ries van der Wouden: https://www.groene.nl/artikel/de-harde-competitie-der-steden en van Alex de Jong en March Schuilenburg: https://www.groene.nl/artikel/meer-dan-bakstenen

 

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: