Article

De Bouwmeester en de onheilsprofeten

BAVO


21/08/2014, De Standaard
Park Spoor Noord - Image: Stijn Bollaert

Image: Stijn Bollaert

Iedereen lijkt het roerend eens dat de Vlaamse architectuur zonder de Bouwmeester overgeleverd is aan de wetten van de markt en de willekeur van het politieke bedrijf. Christophe Van Gerrewey ging zelfs zo ver om het einde van de architectuur als zodanig te verkondigen. (DS 26/7) De onheilsprofetie mag ons niet verblinden voor de openingen die het regeerakkoord wel degelijk biedt naar een ambitieuze doorstart van de Vlaams Bouwmeester.

De eenvoudige oppositie van bouwmeester versus bouwmarkt doet sowieso afbreuk aan de realiteit en lijkt een gemakkelijke omkering van de positie die toegedicht wordt aan de N-VA. De Vlaams Bouwmeester heeft altijd een vlotte samenwerking vooropgesteld tussen publieke opdrachtgevers en haar private partners. Ondernemers (architecten evengoed als aannemers) voeren niet langer blindelings de overheidsbestekken uit, maar krijgen nu een eigen stem én verantwoordelijkheid in de projectdefinitie. Een eventuele afschaffing van de Vlaams Bouwmeester is om deze reden dan ook een pyrrusoverwinning voor de bouwmarkt.

Tegelijk is het een fantasie om de Bouwmeester voor te stellen als een absolute, onvermurwbare voorvechter van kwaliteit. Natuurlijk wil niemand dat architectenselecties deel uitmaken van politieke akkoorden. Maar de eerlijkheid gebied wel te zeggen dat een instrument als de Vlaams Bouwmeester niet vrij is van pragmatisme/opportunisme indien dat goed uitkomt. Het positief advies van Marcel Smets voor de Oosterweelverbinding (ontwerp van Laurent Ney en Paul Robbrecht) werd afgeleverd door zich expliciet te onthouden van uitspraken over mobiliteit, milieueffecten en stedenbouwkundige inbedding – een wreed lot voor de voorvechter van het ‘geïntegreerde architectuurproject’.

Wivina Demeester, de voormalig Minister die initiatief nam voor de eerste Vlaams Bouwmeester, reageerde (Radio1 28/7) opvallend rustig op de onheilsprofetieën. De fundamentele vraag is welke nieuwe accenten de vierde Bouwmeester kan leggen binnen het openingen die het regeerakkoord weldegelijk biedt. Een drietal elementen vallen op.

1. Er is de suggestie dat het Bouwmeestercollege zal aangeduid worden vanuit een zogenaamd ‘architecturaal middenveld’. Op zich is er weinig reden tot bezorgdheid. Wie heeft er iets op tegen dat maatschappelijke organisaties en bewegingen nauw betrokken worden in het ontwerp van patrimonium met publiek belang? Probleem is wel dat er geen ‘architecturale middenveldorganisaties’ bestaan in Vlaanderen – tenzij een beperkt aantal, kleine culturele organisaties (VAi, VRP, Architectuurwijzer, Ar-Tur, …) of lokale drukkingsgroepen (StRatengeneraal) die door de professionele wereld niet eens serieus genomen worden. Het doet Wivina Demeester vermoeden (DS 26/7) dat eigenlijk de beroepsorganisaties bedoeld wordt, zoals NAV. In dat geval is de verandering inderdaad een stap terug, omdat de architectenselectie zo een gebeuren blijft binnen het gesloten circuit van het architectenberoep. Zo ver hoeft het niet te komen. Positief beschouwd biedt het regeerakkoord zowaar een opening om fors te investeren in een nog op te richten architecturaal middenveld.

2. Er is de verhuis van de Vlaams Bouwmeester naar het departement Ruimtelijke Ordening. Ook hier weinig reden tot bezorgdheid. Als ambtenaar onder de Minister van Bestuurszaken heeft de Bouwmeester veel werk geleverd om ingang te vinden bij specifieke beleidsdomeinen (door middel van onder meer partnerschappen en pilootprojecten). Wél zorgwekkend is dat de zogenaamde ‘inkanteling’ voorzien wordt in slechts één specifiek beleidsdomein. Hiermee wordt het werken aan ‘geïntegreerde architectuurprojecten’ opnieuw onnodig moeilijk. Het idee is dat architectuur niet ondergebracht kan worden in één vakje (cultuur, ruimtelijke ordening, milieu, verkeer, welzijn, landbouw, …) maar juist de gepaste verknoping betreft van al deze beleidsdomeinen. Een inkanteling van de Vlaams Bouwmeester binnen Ruimtelijke Ordening verloopt dus best parallel aan een gelijktijdige inkanteling in Wonen, Milieu, Mobiliteit, Welzijn, Landbouw, etc.

3. Er is de fel gehekelde verandering van één Bouwmeester (met Team) naar een meerkoppig College van Adviseurs onder voorzitterschap van de Vlaams Bouwmeester. Koen Van Synghel vreest een praatbarak (DS 2/8) – maar rest ons iets anders dan overleg? Ontstaat architecturale en ruimtelijke kwaliteit niet vanuit een open reflectie over de vormgeving van onze leefomgeving? Gebeurt deze visievorming niet best vanuit een breed professioneel overleg? Kunnen daarbij niet best alle beleidsdomeinen betrokken worden? En biedt het middenveld niet een extra bron van kennis en ervaring? Naar voorbeeld van Nederland kan elke adviseur een specifiek beleidsdomein dekken, zoals Wonen, Welzijn, Milieu, Mobiliteit, etc. Eventueel kunnen bijzondere adviseurs ingeschakeld worden voor urgente problemen (overstromingen) of crisisgebieden (Limburg). In een bouwmeestercollege kunnen de adviseurs met elkaar in overleg treden en de specifieke materies afwegen binnen het kader van een algemene kwaliteitsbewaking.

Is een dergelijk scenario niet juist een mogelijkheid om een ambitieus vierde hoofdstuk te breien aan de werking van de Bouwmeester?

Deze opinie werd gepubliceerd in De Standaard 21 augustus onder de titel ‘De Bouwmeester en de Onheilsprofeten‘. Het betreft een korte versie van het artikel ‘Wie is er bang van het Bouwmeestercollege?

Gepubliceerd in De Standaard, 21/08/2014

Categories: Architecture

Type: Article

Share: