Creativiteit als recht, niet met overheidstoelating!

BAVO


2008

Column, Debat: ‘PAS OP! Kunst in de buurt’

1. Intro

Voor wie het nog niet zou weten: creativiteit is vandaag een gegeerd goed, en hetzelfde geldt voor wat ooit beschouwd werd als de marges van de stad. Een heus leger van gemeenteambtenaren, bedrijven en consultants zijn vandaag koortsachtig op zoek naar de brandhaarden van creativiteit, ze doen expedities, stellen strategische kaarten op, ontwerpen beleid op maat van de creatieve klasse enzovoorts.

En is het geen wonderbaarlijke ontwikkeling dat creatievelingen en subculturen vandaag worden gevraagd om een hoofdrol te spelen in de samenleving – zo kunnen we ons naïevelijk afvragen? Krijgen zij hiermee niet eindelijk erkenning voor hun al te vaak gemarginaliseerde initiatieven, alsook de mogelijkheid om een ‘andere wereld’ ook daadwerkelijk te realiseren op stedelijke schaal?

2. De schaduwstad: over kunstenaars, pooiers en het globale kapitaal

Laten we voor het beantwoorden van deze vragen één van de vele rapporten over de creatieve stad even kort bespreken: het rapport De schaduwstad van het stedenbouwkundige consultancybureau Urban Unlimited (2004). De centrale stelling van het rapport is dat kleinschalige en informele creatieve bedrijfjes in de marges en schemerzones van de stad een onmisbare voedingsbodem vormen voor de grotere bedrijven. Zij vormen een onuitputtelijke visvijver voor frisse ideeën en jong geëngageerde talent, waar bedrijven op terug kunnen vallen in tijden van crisis, verhevigde concurrentie of slijtage van de gekende consumptiepatronen – en zijn in die zin van levensbelang voor de reproductie van de reguliere economie.

Hiermee herhalen de auteurs van De schaduwstad uiteraard slechts de conclusies van Saskia Sassens onderzoek naar de zogenaamde ‘global cities’, waarin zij blootlegt hoe hoge ruimtelijke concentraties van niet alleen hooggespecialiseerde bureaus op vlak van advocatuur, reclame, public relations, boekhouding enzovoorts, maar ook meer kleine, marginale, creatieve bureaus essentieel zijn voor het functioneren van multinationale bedrijven.

Is er bij Sassen echter nog sprake van een kritische insteek – zij bekritiseert bijvoorbeeld de ver doorgevoerde monopolievorming, de manier waarop het systeem gebaseerd is op zelfexploitatie om de kosten te drukken, hoe een nieuwe permanente onderklasse gecreëerd wordt enzovoorts – dan wordt de synergie tussen de creatieve klasse en het groot kapitaal in het rapport van Urban Unlimited aanvaard als een natuurlijk feit. Het rapport is één lange technocratische oefening in het perfectioneren van de ‘creatieve ecologie’ van globale steden (een categorie waar ook Amsterdam toe behoort), wat vaak leidt tot even hilarische als bedenkelijke adviezen.

Zo houden ze op het eind een pleidooi om niet te kwistig om te springen met subsidies of voordelige regelingen:

Het Amsterdamse broedplaatsenbeleid… gaat om lage huren en voldoende ruimte en wanneer die er niet is dan wordt deze door de gemeente gecreëerd… Maar de vraag is of dat verstandig is. Nog buiten dat het veel geld kost, is het nauwelijks effectief (en leidt het mogelijk eerder tot een gezapig en gesetteld cultureel klimaat).1

Vrij vertaald komt dit advies erop neer dat de creatieve krachten eerst moeten produceren onder erbarmelijke omstandigheden – waarbij, aldus Urban Unlimited, niet al te veel kosten moeten worden gemaakt. Vervolgens, als ze zijn ‘uitgebroed’ of te welvarend worden (winst maken) – wat volgens hen steevast leidt tot een ‘gezapig en gesetteld cultureel klimaat’ – dan mogen ze ophoepelen en moeten ze zich zien te redden in de reguliere economie. Wat is dit advies anders dan een pleidooi voor het creëren van een kunstmatige ‘precariteit’ of onzekerheid rondom creativiteit? Twee Kortom, twee tegengestelde logica’s komen hier op bedenkelijke wijze bij elkaar: aan de ene kant de romantische mythe van de kunstenaar die door precaire levensomstandigheden wordt gedreven tot ongekende creatieve hoogtes, en aan de andere kant de cynische wet van het kapitalisme dat stelt dat arbeiders het hardst werken met een hongerige maag?

Hoe bekaaid de kunstenaar er in De schaduwstad van afkomt, des te heroïscher is de rol van wat Urban Unlimited de ‘intermediates’ of bemiddelars noemt. In hun derde aanbeveling schrijven ze hierover:

[zij] [de bemiddelaars] verschaffen… de link tussen de individuele kunstenaar, artiest en creatieve vrijplaats, met het grote publiek en global capital. Tegelijkertijd brengt een goede intermediate ook creatieve vermogens uit verschillende werelden (alpha, beta en gamma) bij elkaar in vernieuwende, zinderende en inspirerende verbanden. Het maakt het mogelijk dat vrij- en broedplaatsen nog steeds hun eigen experiment kunnen doen, maar onderlinge inspiratie kunnen opdoen en ook voor iets langere duur in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

In plaats van afzonderlijke kunstenaars of vrijplaatsen, verdienen met name deze intermediates (blijvende financiële) steun of (overheids)sympathie.2

Welnu, hebben we met de driehoeksverhouding tussen creatievelingen, bemiddelaars en het globale kapitaal die hier geschetst wordt geen perfecte dubbel van de relatie tussen prostituees, pooiers en de seksconsumenten? Zoals de prostituee, komen ook de creatieve krachten er het meest bekaaid van af. Alhoewel zij worden gepromoot als één van de belangrijkste assets voor de nieuwe economie, moeten ze de bemiddelaars dankbaar zijn dat ze ‘ook op iets langere duur in hun levensonderhoud kunnen voorzien’ (zoals Urban Unlimited het uitdrukt). Dit, terwijl de bemiddelaars daarbovenop het gros van de subsidies binnenrijven. Kortom – om deze discussie af te sluiten – met kritische collega’s zoals Urban Unlimited, heb je het grootkapitaal niet meer nodig om te worden uitgebuit.

3. De internalisering van creativiteit.

Het rapport De schaduwstad is symptomatisch voor het huidige debat over de creatieve stad. Als er al een kritische discussie bestaat over het nieuwe verbond tussen economie en creativiteit, dan gaat deze vooral over manieren om deze samenwerking te organiseren en optimaliseren. Het is meer wel dan niet een technocratische discussie tussen experts, waarbij het nieuwe verbond en de corporatistische vooronderstellingen hierachter buiten de discussie blijven.

Als er een debat moet worden gevoerd, dan moet het gaan over de manier waarop de economie en politiek meer dan ooit creativiteit ontdekt hebben als één van hun belangrijkste ‘externaliteiten’, zoals economen dit uitdrukken. Externaliteiten zijn factoren die, alhoewel essentieel voor het productieproces, niettemin buiten dit proces gehouden worden. Een klassiek voorbeeld is het milieu. Welnu, zoals het milieu, als cruciale natuurlijke hulpbron, vandaag steeds meer ingesloten en verrekend wordt in de economie, zo ook wordt creativiteit, als menselijke hulpbron of kapitaal, steeds meer bewust opgenomen in het productieproces als één van haar belangrijkste mogelijkheidsvoorwaarden.

Want laat één ding duidelijk zijn: als creatieve krachten vandaag doodgeknuffeld worden dan is dit vooral omwille van hun schijnbaar grenzeloos vermogen om nieuwe ‘geuren en kleuren’ te produceren die het kapitalisme in staat stellen om zichzelf te revolutionaliseren of heruit te vinden (denk aan de uitspraak van Medy van der Laan dat “De Senseo… nooit een succes (was) geweest zonder een fantastische ontwerper”3). Of nog anders gezegd: uiteindelijk gaat het om het aanzwengelen van de consumptie – consumptie niet allen van producten maar ook van diensten, ervaringen, sfeer, levensstijlen of die ongrijpbare X-factor eigen aan creatieve milieus.

In dit verband hebben wij de huidige hype rond creativiteit wel eens vergeleken met het populaire televisieprogramma ‘Dragon’s Den’. Ook in de creatieve stad worden enkel de potentiële ‘knallers’ uitverkozen, de ‘winners’, de succesverhalen, de zaken met ‘doorgroeimogelijkheden’, met een hoge ‘waardevermeerderende factor’, etc.

Met de opkomst van de kritiek op de globalisering kan men niet langer kritiekloos meedraaien in dit systeem – ergens aan de andere kant van de wereld is er altijd wel een bepaalde groep, regio of regenwoud de dupe. Of zelfs dichter bij huis: denk aan Saskia Sassens observatie dat global cities vaak opnieuw sweatshops (erbarmelijke woon- en werkomstandigheden) zich voordoen…)

4. Creativiteit als wondermiddel voor de stad

Behalve voor de ‘zelf-revolutionalisering’ van de economie, wordt creativiteit vandaag ook gepropageerd als wondermiddel voor de hardnekkige problemen van de post-industriële stad. Opnieuw stelt zich hier de naïeve vraag: ‘En wat is hier verkeerd mee? Was het niet hoog tijd voor een creatieve injectie in de ingedommelde wereld van de stadsontwikkeling?

Het was Sharon Zukin die reeds in de jaren ‘80 beschreef hoe in New York kunstenaars-pioniers in een pervers spel verwikkeld raakten met projectontwikkelaars en hun drang naar het ontwikkelen van nieuwe vastgoedmarkten in afgeschreven buurten. Dit is het bekende fenomeen van gentrification, niet geheel onbekend in Amsterdam. Maar – zo kunnen we ons opnieuw afvragen – wat als dit uiteindelijk een goede zaak is voor achtergestelde buurten? Als alleen al de stomme, fysieke aanwezigheid van creatievelingen een verrijkend effect heeft op een buurt, wat is hier dan mis mee? Het komt er hier uiteraard op aan om precies te definiëren wat hier bedoeld is met ‘goed’ of ‘een verrijking’. In de praktijk komt dit vooral neer op een lagere ‘concentratie’ van allochtonen of sociale ‘gevallen’ (bijstandtrekkers), hogere huur-, koop en grondprijzen, meer ‘ondernemerschap’, etc. Al deze zaken zijn alleen vooruitgang voor hen die de achterliggende neoliberale, neoconservatieve vooronderstellingen onderschrijven, waarbij huurwoningen (al dan niet sociale) gelijkgesteld worden aan verpaupering en gebrek aan ondernemerschap met een onwil om te integreren. Kortom, als het gaat om de ideologische basiscoördinaten achter creatieve stadsontwikkeling is er opmerkelijk minder creativiteit aan de dag gelegd. Het zijn de aloude recepten van het verspreiden of – zoals Friedrich Engels het benoemde: circuleren – van de onvermijdelijke, structurele onderklasse van het kapitalisme alsook ‘goede oude’ liberale ‘trickle down economics’.

Ik merk hier nog en passant op dat kunst – en dan met name de geëngageerde variant – hier vaak als surrogaat of ‘substituut’ (zoals Jacques Rancière het stelt) gebruikt wordt voor daadwerkelijk betrokken en innovatieve stedelijke politiek. Kortom, er zijn veel redenen om op te passen voor ‘kunst in de buurt’.

5. Creativiteit tegen de creatieve economie

Laat ik mijn betoog afronden met de belangrijke vraag: ‘Wat te doen?’ Hoe kunnen we ons verzetten tegen deze instrumentalisering en ‘internalisering’ van creativiteit door de markt en de politiek? Hoe kunnen we verhinderen dat creatieve actoren gebruikt worden door het globale kapitaal om zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden? En hoe te weerstaan aan de verleiding om mee te liften op de huidige ‘hausse’ aan regelingen, overheidsinjecties, coachingprogramma’s voor creatievelingen, de ongekende mogelijkheden gecreëerd door de markt en de overheid?

We kunnen ons laten inspireren door de oproep van Dieter Lesage om het niet te ver van huis te zoeken in het verzet tegen de huidige, globale orde. Hij benadrukt hoe je hiervoor geen citytrip hoeft te ondernemen naar exotische bestemmingen (zoals Genua, Seattle, Porto Allegre of, meest recent, naar een boerengat in Duitsland). Concrete doelwitten liggen vaak net om de hoek: zoals de beursgebouwen of kantoren van nationale of multinationale bedrijven bijvoorbeeld. Maar, we kunnen ook een minder voor de hand liggende vuurlinie bedenken: de broedplaats bijvoorbeeld. Is dit immers niet de plek bij uitstek waar het nieuwe kapitalisme uiterst kwetsbaar is, afhankelijk als zij is van de voortdurende productie van nieuwe ‘geuren en kleuren’ voor haar reproductie? Deze ‘verslaving aan creativiteit’ zorgt ervoor dat de creatievelingen meer macht hebben dan ze vaak denken. Want laat één ding duidelijk zijn: creatievelingen zijn vandaag een onderbetaalde klasse en worden gepaaid met een broedplaatsje hier, een startsubsidie daar. Als Jacques Lacan de kapitalist ooit definieerde als ‘degene die nooit betaald’, dan is dit meer dan ooit vandaag het geval in de creatieve stad, waar de bedrijven de broodnodige creativiteit als niet gratis, dan voor een schijntje krijgen aangeboden door de overheid.

Alleen al hierdoor zou het een principe of werkmethode moeten zijn van de creatieve klasse om creatieve daden te stellen die leiden tot financiële waardevermindering. Van elke creatieve interventie zou, voor zij geïmplementeerd wordt, moeten worden nagerekend of, en zo ja hoeveel, waardevermeerdering zij mogelijks oplevert voor de stad of bedrijven. Overeenkomstig hiermee, moet creatieve actoren hun initiatief bijstellen, censureren, of misschien zelfs doelbewust ‘oncreatief’ zijn. Vanuit deze optiek hebben wij een tijd terug gepleit voor een ‘oncreatieve stad’.

Dergelijke ‘creatieve opstanding’ is nog veraf. Voorlopig overheerst de anarchie van ‘als ik niet meestap in dit creatief project, doet iemand anders het in mijn plaats’. Hoe lang moeten we bijvoorbeeld nog wachten op een vakbond die actie onderneemt tegen de toestand van precariteit en onzekerheid waarin creatievelingen, ondanks hun kapitale belang voor de stedelijke economie, kunstmatig worden gehouden (denk aan het advies van Urban Unlimited)? Als de screenwriters van Hollywood dit kunnen, waarom dan niet de kunstenaars, designers of architecten? Je mag op dit vlak meer initiatief verwachten van een groep in de samenleving die geprezen wordt omwille van haar onvermoeide pioniersgeest.

1 Urban Unlimited 2004: 51.

2 Idem, p. 54-55.

3 Geciteerd in NRC Handelsblad 3/11/2004, p. 11.

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: