Article

Een winterterras kan levens redden

Gideon Boie en Annekatrien Verdickt


21/10/2020, De Standaard

Image: ruePICARDstraat

Laat winterterrassen in godsnaam toe, zei epidemioloog Pierre Van Damme vorige week in Terzake, de mensen zullen dat appreciëren en je kunt ze perfect veilig organiseren. Daarmee leek hij te anticiperen op de algemene sluiting van de horeca. Wij interpreteren de suggestie tegelijk als een oproep, om niet te zeggen als een vermaning aan het adres van de lokale overheden.

Download PDF

Tijdens de eerste lockdown hadden ze de vraag ­gekregen om de 1,5 meter sociale ­afstand te faciliteren in de openbare ruimte, bijvoorbeeld door rijstroken om te vormen tot fietspaden en parkeerstroken vrij te maken voor wachtrijen, en terrasjes tot op straat te kunnen breiden.

In Brussel ging minister van Mobiliteit Elke Van den Brandt (Groen) op het gaspedaal staan. Lokale overheden stonden niet te springen voor dit tactisch ­urbanisme, eerder het tegendeel. Zelfs gemeenten die meegingen in het verhaal leken het te doen met het minst mogelijke enthousiasme. Aanvragen voor zomerstraten verdwenen in een bureaucratische rompslomp. Terrasjes op parkeerstroken werden in de kiem gesmoord door de kosten af te wentelen op de uitbaters.

Snelweg in de stad

De aanleg van coronafietspaden op de iconische invalswegen van Brussel wekte zelfs een revanchistische beweging op. De aanleg van een fietspad leek nog een erger kwaad dan het ­coronavirus zelf. Het probleem werd zelfs communautair uitgespeeld. Theo Francken (N-VA) zag een fietspad op een van de vijf rijvakken enkele richting in de Wetstraat als een bewijs dat de hoofdstad Vlaanderen loslaat. ­Boris Dilliès (MR), de burgemeester van Ukkel en in een lokale coalitie met Ecolo-Groen, trok naar de rechtbank om het gedeeltelijk verkeersvrij ­maken van het Terkamerenbos aan te vechten met een procedureslag.

Velen hebben tijdens de lockdown de nieuwe stadslucht geproefd en die geest krijg je niet zomaar terug in de fles

De strijd tegen fietspaden voert ons terug naar de jaren 50, de tijd waarin steden hertekend werden op maat van ­koning Auto. De heisa gaat niet toevallig over de grote invals­wegen die ­auto’s vanaf de snelwegen diep in de stad injecteren. Symptomatisch is de zogenaamde Middenring, met onder andere de Lambermont- en de Reyerslaan, een stadssnelweg die ­inhaakt op de A12, E40 en E411. De rode loper voor auto’s maakte van de snelle treinverbindingen naar de hoofdstad vanuit pakweg Zottegem of Nijvel een overbodige luxe. Het dagelijkse pendelverkeer vanuit suburbane woonbuurten leverde een bijdrage aan de onleefbaarheid van de hoofdstad, die de bewoners eerst zelf ontvluchtten.

Het verzet tegen de coronafiets­paden is tegelijk een achterhoede­gevecht in een wereld die sinds de eerste lockdown anders draait. De fiets kwam misschien centraal te staan in de strijd om de postcoronastad, maar uiteindelijk raakt deze strijd aan zoveel meer. Alle coronarampspoed ten spijt bleek de stad een vrijhaven als ze eenmaal bevrijd is van de dagelijkse stromen autoverkeer. Het beeld van de lege Grote Markt was beangstigend en tegelijk een zegen, lege straten ­leken een voorafspiegeling van autoluwe woonwijken, de luchtkwaliteit klaarde op, buurtvoorzieningen maakten het onnodig om naar perifere winkelcentra te rijden, enzovoort.

Wen er maar aan

Een verfrissend initiatief was de ­zomerstraat in de Picardstraat in ­Molenbeek. Het initiatief paste in de oproep van Van den Brandt naar buurtorganisaties om tijdens de staycation straten af te sluiten en te animeren. Overdag was de straat het toneel van onschuldig kindervermaak en ‘s avonds werd ze een plaats voor ontmoeting na een dagje telewerk. Aan ruimte voor sociale afstand was er geen gebrek. Zelfs de meest ­rabiate autoliefhebber moest toegeven dat een vakantieplek aan zijn voordeur een waardig alternatief was tijdens de eerste coronazomer. De oorspronkelijke aanvraag voor de ­Picardstraat was er voor een week, maar duurde uiteindelijk de hele zomer.

Het enthousiasme voor de zomerstraat toont hoe je discussies over de postcoronastad niet kan voeren op basis van mobiliteit alleen. Velen hebben tijdens de lockdown de nieuwe stadslucht geproefd en die geest krijg je niet zomaar terug in de fles. De strijd die zich ontspint, volgt een logica die je bij elke revolte ziet. O zalige onschuld waarmee burgemeesters het fileleed in ons land afwentelen op ocharme een fietspad, en heldhaftig naar de rechtbank trekken tegen het autovrij maken van een park. Het zijn de woordvoerders van een wankel ­regime die blijven beweren dat er geen reden is tot paniek, terwijl de ­coronagrafieken ondertussen loodrecht door het plafond schieten.

Nu duidelijk is dat corona nog lang onder ons zal zijn, is de hertekening van de stad niet langer optioneel, maar imperatief. Een fietspad in de Wetstraat? Het kan wel. Een park zonder autoverkeer? Wen er maar aan. Een winterterras? Het kost hoogstens enkele parkeerplaatsen, maar het kan levens redden. Lokale overheden kunnen niet blijven wijzen op de individuele verantwoordelijkheid voor de verspreiding van het coronavirus en ondertussen passief wegkijken bij de inrichting van de ­publieke ruimte. De stad is een vaccin, stelde planoloog Jens Aerts scherp. Voorlopig is ­afstand houden het enige vaccin dat voorhanden is. In een stad waar de ­afstandsregel van 1,5 meter gefaciliteerd wordt, gaat fysieke afstand prima samen met sociaal contact.

Gepubliceerd in De Standaard, 21/10/2020

 

Tags: Brussels

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: